Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200205341/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205341/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 20 augustus 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort.

1. Procesverloop

Bij brief van 19 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (hierna: het college) aan appellant medegedeeld dat de door hem op 6 oktober 1999 aangevraagde bouwvergunning voor het veranderen en vergroten van een uitbouw van de woning op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) op 6 januari 2000 van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 13 juli 2001 heeft het college het daartegen door [partij] gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van kamer 1 van de vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 10 mei 2001, ongegrond verklaard, het besluit van 19 december 2000 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 20 augustus 2002, verzonden op 26 augustus 2002, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 3 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 november 2002 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 27 november 2002 heeft [partij] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door T.F.M. van der Kleij, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is [partij] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft de bouw van een verdieping met dakkapellen op de bestaande uitbouw aan de woning van appellant.

2.2. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de van rechtswege verleende vergunning niet heeft kunnen intrekken en dat het college ten onrechte niet heeft beslist op de grondslag van het bezwaarschrift van [partij].

2.2.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging plaats. Ingevolge artikel 7:11, tweede lid, van de Awb, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit, voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft.

2.2.2. Artikel 7:11 schrijft, op herroeping van het bestreden besluit door het bestuursorgaan na, geen formulering voor bij de beslissing op een ontvankelijk bezwaar. Voorts biedt de bepaling, gelet op haar bewoordingen, geen grond voor het standpunt dat het bestuursorgaan, indien het bij de beslissing op bezwaar tot herroeping van bestreden besluit overgaat, daarbij tevens zijn opvatting omtrent de gegrondheid van de daartegen gemaakte bezwaren dient weer te geven in de vorm van een bepaalde uitspraak.

Bij besluit van 13 juli 2001 is het college tot de conclusie gekomen dat het bouwplan in strijd was met het geldende bestemmingsplan. Anders dan appellant betoogt ziet de Afdeling noch in de Awb, noch anderszins grond voor het oordeel dat het college aan deze conclusie niet de consequentie mocht verbinden dat niet van rechtswege vergunning is verleend, zodat het betoog van appellant faalt.

2.3. Anders dan appellant betoogt heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het feit dat in 1983 voor de onderliggende uitbouw met toepassing van artikel 19, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), vrijstelling is verleend van de ter plaatse als bestemmingsplan geldende “Partiële wijziging J. omgeving Brederodestraat van het uitbreidingsplan in onderdelen der gemeente Zandvoort”, niet tot gevolg heeft gehad dat het planologisch regime is gewijzigd. Het bouwplan diende derhalve aan het geldende bestemmingsplan te worden getoetst. Omdat bovendien bedoelde vrijstelling in rechte onaantastbaar is geworden, is een antwoord op de vraag of bedoelde vrijstelling voor de onderliggende uitbouw destijds terecht is verleend in dit geding niet van belang.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming “Bebouwing C, tuinen en erven”.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het bouwplan hiermee niet in overeenstemming is, reeds omdat in strijd met artikel 22, eerste lid, van de planvoorschriften, de achtergevelrooilijn wordt overschreden. Dat het bouwplan wat de toegestane grondoppervlakte betreft voldoet aan de door de gemeente gehanteerde regels met betrekking tot het bouwen binnen de erfbebouwingszone maakt dit niet anders.

Anders dan appellant betoogt is vrijstelling ingevolge artikel 23 van de planvoorschriften niet mogelijk, reeds omdat op grond van deze bepaling de achterrooilijn niet mag worden overschreden. Niet is gebleken dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in dat artikel. Vrijstelling ingevolge artikel 24 van de planvoorschriften kan evenmin worden verleend, nu geen sprake is van een bijgebouw als bedoeld in die bepaling. Ook aan de voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 26 van de planvoorschriften is niet voldaan, reeds omdat deze bepaling slechts ziet op bouwplannen waarbij de rooilijnen niet worden overschreden.

Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan. Aangezien niet een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de WRO is genomen, noch een ontwerp van een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, kon niet de procedure op grond van artikel 19 van de WRO worden gevolgd. Gelet hierop heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat ingevolge het bepaalde in artikel 46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de vergunning niet van rechtswege is verleend.

2.5. Anders dan appellant meent was het college voorts niet gehouden de gemeenteraad te verzoeken een voorbereidingsbesluit te nemen teneinde het bouwplan mogelijk te maken. Het staat appellant vrij zelf daartoe bij de gemeenteraad een verzoek in te dienen.

2.6. Voorzover appellant een beroep op het vertrouwensbeginsel doet, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat van de zijde van het college rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat voor het bouwplan met toepassing van artikel 19 WRO bouwvergunning zou worden verleend.

2.7. Met betrekking tot het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling dat voor het veranderen van de uitbouw op het perceel [locatie 2] een bouwvergunning is afgegeven onder verlening van vrijstelling ingevolge artikel 19 van de WRO, zoals dit gold tot 3 april 2000. In dit verband is relevant dat op dit perceel een ander bestemmingsplan van kracht was en dat het bouwplan van appellant een meer ingrijpende inbreuk maakt op het planologisch regime dan het plaatsen van dakkapellen in de reeds van een puntdak voorziene uitbouw op [locatie 2]. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen sprake is van een gelijk geval.

2.8. Voorts is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het college met betrekking tot de aan de orde zijnde beslissing op bezwaar onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat het college bij de mededeling dat van rechtswege een vergunning was verleend en in de tijd daaraan voorafgaand volgens appellant wel onzorgvuldig zou hebben gehandeld, doet, wat daar ook van zij, hieraan niet af, nu hier slechts de beslissing op bezwaar aan de orde is.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

164-422.