Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF6000

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200205338/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205338/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort, vastgesteld het “Uitwerkingsplan Spoortunnel-Zuid 2002, Vathorst".

Verweerder heeft bij besluit van 9 juli 2002, nummer 2002REG001582i, beslist over de goedkeuring van het uitwerkingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Een nader stuk is ingediend door het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort. Dit is aan andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2003, waar appellant, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.E.M.M. Botermans en T. Rijn, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar het gemeentebestuur van Amersfoort, vertegenwoordigd door D. Schalks, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], medewerker, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een gedeeltelijke uitwerking van het bestemmingsplan “Vathorst” (verder: bestemmingsplan). Het plan is gebaseerd op de in artikel 4, derde lid, en artikel 5, derde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan bepaalde uitwerkingsplicht. Met het plan is beoogd de aanleg mogelijk te maken van een spoor-/wegviaduct met bijbehorende voorzieningen waar de in het bestemmingsplan voorziene hoofdontsluitingsweg en de spoorlijn Amersfoort-Zwolle elkaar kruisen.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een uitwerkingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO), voor zover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan moet worden uitgewerkt volgens bij het plan te geven regelen. Bij de beslissing over de goedkeuring van een uitwerkingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven uitwerkingsregelen is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan gegeven regelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent de goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemming “Verkeersdoeleinden” voor de gronden waarop zijn bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning staan. Met deze bestemming is het onmogelijk geworden dat hij zijn bedrijf ter plaatse nog enige jaren blijft uitoefenen. Voorts maakt het plan het onmogelijk dat zijn woning behouden blijft en een woonbestemming krijgt.

Hij voert tevens aan dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor een hoorzitting bij het college van burgemeester en wethouders of bij verweerder om zijn bezwaren tegen het plan toe te lichten.

2.4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met het recht of met een goede ruimtelijke ordening en heeft het goedgekeurd. Daarbij heeft hij ingestemd met de weerlegging van de bedenkingen door het college van burgemeester en wethouders. Voorts heeft hij het standpunt ingenomen dat uit onderzoek is gebleken dat aan een verschuiving van het tracé van de ontsluitingsweg, zodanig dat de woning van appellant behouden kan blijven, overwegende bezwaren kleven.

2.5. Ten aanzien van het bezwaar betreffende het niet horen overweegt de Afdeling als volgt. Het bestreden besluit is tot stand gekomen met toepassing van de in artikel 11 van de WRO en artikel 13, tweede lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan voorgeschreven procedure. Hierin wordt niet voorzien in een hoorplicht. Voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders of verweerder in dit geval onzorgvuldig heeft gehandeld door appellant niet te horen, ziet de Afdeling geen grond.

2.6. Gesteld noch gebleken is dat het uitwerkingsplan niet overeenstemt met het bestemmingsplan.

De Afdeling merkt op dat een uitwerkingsplan dat voorziet in de handhaving van de melkveehouderij van appellant niet zou voldoen aan het bestemmingsplan. Tot vaststelling van een dergelijk plan bestond dus, gezien artikel 11 van de WRO, niet de bevoegdheid.

2.6.1. De Afdeling stelt vast dat het uitwerkingsplan voorts niet voorziet in handhaving van de woning van appellant. De Afdeling acht het aannemelijk dat het plan aldus ernstige bezwaren heeft voor appellant.

Uit de stukken blijkt dat de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan een ander tracé van de hoofdontsluitingsweg en handhaving van de woning van appellant toelaten. Onder deze omstandigheid heeft verweerder terecht bezien welke alternatieven mogelijk zijn en of aan de daaraan klevende bezwaren meer gewicht viel toe te kennen dan aan de bezwaren van dit uitwerkingsplan. Vast staat dat het viaduct en de weg in noordoostelijke of zuidwestelijke richting moeten worden verplaatst om de woning van appellant te kunnen behouden. Verplaatsing in noordoostelijke richting is onweersproken een onwenselijke keuze omdat dan de afmetingen van de groene zone rond Hooglanderveen verkleind zouden worden en de woning van appellant op het voorziene bedrijventerrein zou komen te liggen.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting zou verplaatsing in zuidwestelijke richting betekenen dat wegens een geringere omvang van het bedrijventerrein langs de A1 de exploitatie van het gehele plan in gevaar zou komen. Voorts is gesteld dat ten gevolge van een verplaatsing van de weg ook het spoor-/wegviaduct, gelet op aspecten van geluidhinder, aanzienlijk ongunstiger zou komen te liggen. Deze bevindingen komen de Afdeling niet onaannemelijk voor. Verweerder heeft de aan dit alternatief klevende bezwaren groter geacht dan de uit het plan voor appellant voortvloeiende bezwaren. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot dit standpunt heeft kunnen komen.

2.6.2. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond om te oordelen dat, hoewel het uitwerkingsplan past binnen de regels van het bestemmingsplan, verweerder het uitwerkingsplan niettemin in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. De Rooy

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

59-411.