Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5990

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200200296/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2004, 94 met annotatie van P.J.J. Zoontjens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200296/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Wageningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 12 december 2001 in het geding tussen:

de stichting “Stichting Katholiek Onderwijs Veluwe-Vallei”, gevestigd te Ede

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 1998 heeft appellant (hierna: het college van burgemeester en wethouders) een aanvraag van de stichting “Stichting Katholiek Onderwijs Veluwe-Vallei” (hierna: de Stichting), voor vergoeding van de kosten betreffende de riolering van het gebouw van de St. Jozefschool te Wageningen, afgewezen.

Bij besluit van 12 juli 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders het daartegen door de Stichting gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door de Stichting ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 mei 2002 heeft de Stichting van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2002, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door M. van ’t Leven, ambtenaar der gemeente, en de Stichting, vertegenwoordigd door [juridisch medewerker] van de Vereniging Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling - blijkend uit onder meer de aangehechte uitspraak van 6 juli 2001, inzake 200003494/1 - verzet de Wet op het primair onderwijs (hierna: de WPO) zich ertegen dat de gemeenteraad de hem op grond van artikel 98, tweede lid, van deze wet toekomende bevoegdheid om op aanvragen met een spoedeisend karakter te beslissen aan het college van burgemeester en wethouders overdraagt. Gelet hierop was het college van burgemeester en wethouders niet bevoegd een beslissing te nemen op de door de Stichting ingediende aanvraag. De rechtbank heeft dit miskend en heeft ten onrechte nagelaten het primaire besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht te herroepen.

2.2. Het hoger beroep is daarom gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voorzover daarbij is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van de Stichting. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt het besluit van 21 december 1998 herroepen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd met verbetering van gronden.

2.3. Gelet op het feit dat het geschil een aanvraag met een spoedeisend karakter betreft en mede in aanmerking genomen de periode die inmiddels is verstreken na het nemen van het besluit van 21 december 1998 acht de Afdeling het, teneinde een finale beslechting van het geschil zoveel mogelijk te bevorderen, geraden om ten overvloede te overwegen dat de gemeenteraad op de aanvraag van de Stichting zal dienen te beslissen met inachtneming van het navolgende.

2.3.1. Ingevolge artikel 92, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WPO - voorzover hier van belang - worden onder voorzieningen in de huisvesting begrepen voorzieningen, bestaande uit vervanging binnenkozijnen en binnendeuren inclusief hang- en sluitwerk, algehele vervanging radiatoren, convectoren en leidingen voor de centrale verwarming, alsmede onderhoud aan de buitenzijde van het gebouw met uitzondering van het buitenschilderwerk.

Ingevolge artikel 102, eerste lid, onder a, van de WPO stelt de gemeenteraad bij verordening een regeling vast met betrekking tot de voorzieningen die ingevolge artikel 92 voor vergoeding in aanmerking kunnen worden gebracht.

Ingevolge artikel 113, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 113, derde lid, van de WPO - voorzover hier van belang - worden bij ministeriële regeling programma's van eisen vastgesteld voor de materiële voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van de scholen.

Ingevolge artikel 114, onder a, van de WPO worden de programma's van eisen, bedoeld in artikel 113, derde lid, onderverdeeld in programma's van eisen omtrent - onder meer - onderhoud.

2.3.2. Niet in geschil is dat de gevraagde voorziening moet worden gekarakteriseerd als een onderhoudsvoorziening aan de binnenzijde van het schoolgebouw. In het overzicht ‘Onderhoud PO’ bij bijlage I, als bedoeld in artikel 2, onder c, van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Wageningen (hierna: de Verordening) is ‘vervangen/herstellen riolering’ als component opgenomen. Gelet op artikel 92, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede, van de WPO, gelezen in samenhang met artikel 102 van de WPO kan deze component echter – anders dan de Stichting veronderstelt – uitsluitend betrekking hebben op voorzieningen aan de buitenzijde van het gebouw. In het programma van eisen basisonderwijs - hoofdstuk 2, bijlage A, onder 1, sub a, onderbouwing van het groepsafhankelijke programma van eisen onderhoud – is vervanging van riolering evenzeer opgenomen. Uit vermelding in dit programma kan worden afgeleid dat de gevraagde voorziening door het bevoegd gezag moet worden bestreden uit de vergoeding voor materiële instandhouding in de zin van artikel 113, derde lid, en artikel 114, onder a, van de WPO.

Dat de gevraagde voorziening verband houdt met de verwijdering en vervanging van asbesthoudend materiaal doet hier niet aan af. Op basis van bijlage I, deel A, bij de Verordening moet de noodzaak voor een ‘voorziening in verband met eisen voortkomend uit wet- en regelgeving’ blijken uit het niet overeenkomen van het gebouw met geldende wet- en regelgeving, terwijl dat verschil op korte termijn moet worden opgeheven. Uit de toelichting bij deze bijlage komt naar voren dat het daarbij gaat om aanpassingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan (nieuwe) wettelijke vereisten voorzover niet in overgangsbepalingen bij dergelijke regelingen een (tijdelijke) vrijstelling is verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de aangehechte uitspraak van 24 oktober 2001, inzake 200003500/1, moet uit het voorgaande worden afgeleid dat voor de vraag of sprake is van zodanige voorziening bepalend is of deze expliciet en verplichtend in (nieuwe) wet- en regelgeving is voorschreven. Dat is ten aanzien van de door de Stichting gevraagde voorziening niet het geval.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 12 december 2001, 99/1593, voorzover daarbij is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders van Wageningen een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van de stichting “Stichting Katholiek Onderwijs Veluwe-Vallei”;

III. herroept het besluit van het college van 23 december 1998, 98/29625/Mwo;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit van het college van 12 juli 1999, 99/13449/Mwo;

V. draagt de raad van de gemeente Wageningen op met inachtneming van deze uitspraak te beslissen op de aanvraag van de stichting.

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. R.R. Winter, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter is verhinderd w.g. Schuurman

de uitspraak te ondertekenen. ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

282-413.