Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5985

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200205014/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205014/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2000 heeft de gemeenteraad van Geldermalsen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8, 16 en 22 februari 2000, het bestemmingsplan "Rhenoy 2000" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 26 september 2000, nr. RE200025604, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 5 september 2001, no. 200005141/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Bij besluit van 21 mei 2002, nr. RE2001.81397, heeft verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 19 december 2002 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door V.R.J. Thomas, ambtenaar van de provincie, en de gemeenteraad van Geldermalsen, vertegenwoordigd door

I. Broekmans en C.D. Boogerd, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Appellante is met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Bij uitspraak van 5 september 2001, no. 200005141/1, heeft de Afdeling geoordeeld dat de voorwaarde die inhoudt dat gebouwen mogen worden uitgebreid tot 110% van de bestaande oppervlakte, neergelegd in artikel 6.3.2.1., eerste gedachtestreepje van de planvoorschriften, zowel betrekking heeft op de niet op blad 2 van de plankaart aangegeven bestaande gebouwen als op hoofdgebouwen die op blad 2 van de plankaart als hoofdgebouw zijn aangeduid. Het besluit van verweerder van

26 september 2000 waarbij hij een zodanige uitleg aan het desbetreffende voorschrift heeft gegeven dat de beperking van de uitbreidingsmogelijkheid tot 110% slechts geldt voor de niet op blad 2 van de plankaart aangegeven bestaande gebouwen, heeft de Afdeling in zoverre in strijd geoordeeld met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4. Verweerder heeft met inachtneming van de in overweging 2.3 genoemde uitspraak opnieuw goedkeuring verleend aan artikel 6.3.2.1., eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften. Hij stelt zich op het standpunt dat het plan een conserverend karakter heeft, waarbij de bestaande ruimtelijke situatie als uitgangspunt is genomen. Verder heeft verweerder overwogen dat het plan tevens flexibiliteitsbepalingen bevat om in enige uitbreiding van de bebouwing te kunnen voorzien.

2.5. Appellante stelt dat verweerder het planvoorschrift ten onrechte opnieuw heeft goedgekeurd. Zij stelt dat zij bij gelijke voorwaarden meer in de uitbreidingsmogelijkheden van haar woning wordt beperkt dan eigenaren van een grotere woning of indien zij een nieuwe woning wil oprichten. Appellante betoogt verder dat de eerder toelaatbaar geachte maximale uitbreiding van 30% van de bebouwingszone nu ten onrechte niet meer toelaatbaar wordt geacht, omdat het plan een conserverend karakter heeft. Zij is voorts van mening dat artikel 6.3.2.1., eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften een nadelige invloed heeft op de waarde en de gebruiksmogelijkheden van haar woning.

2.6. Ingevolge artikel 6.3.2.1., eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften geldt voor de woning en het bijgebouw van appellante een uitbreidingsmogelijkheid tot 110% van de bestaande oppervlakte. Concreet betekent dit een uitbreiding van 10% van de bestaande bebouwing. Ingevolge artikel 6.3.2.3., van de planvoorschriften geldt voor het perceel van appellante tevens een bebouwingspercentage bij recht van maximaal 30%. De Afdeling acht deze dubbele begrenzing van de bij recht in de voorschriften toegestane uitbreidingsmogelijkheid niet onredelijk. Hierbij neemt zij in aanmerking dat het plan conserverend van aard is, waarbij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen op voorhand niet worden uitgesloten. Ingevolge artikel 6.4.3., van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders immers bevoegd onder voorwaarden vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 6.3.2., van de planvoorschriften om een grotere maximale oppervlakte en/of een hoger bebouwingspercentage toe te staan. Dat appellante minder kan uitbreiden dan iemand met een grotere woning of in geval van nieuwbouw van andere aard doet hieraan niet af, aangezien bij een conserverend plan de uitbreiding dient te passen binnen de bestaande opzet van de bebouwing.

De Afdeling deelt verder niet het standpunt van appellante dat de eerder toelaatbaar geachte uitbreiding van maximaal 30% van de bebouwingszone nu ten onrechte niet meer toelaatbaar wordt geacht, omdat het plan een conserverend karakter heeft. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder blijkens zijn besluit van 26 september 2000 artikel 6.3.2.1., eerste gedachtestreepje, van de planvoorschriften onjuist heeft geïnterpreteerd, waardoor appellante bij een mogelijke uitbreiding alleen aan een bebouwingspercentage van 30% gebonden zou zijn, zonder beperkt te worden door de uitbreidingsmogelijkheid tot maximaal 110% van de bestaande oppervlakte. De omstandigheid dat verweerder uitgaande van een onjuiste uitleg van de betrokken planvoorschriften een uitbreiding tot 30% niet onaanvaardbaar vond, staat er niet aan in de weg dat verweerder in zijn thans bestreden besluit, waarbij hij is uitgegaan van een juiste uitleg van de planvoorschriften, de minder vergaande uitbreidingsmogelijkheid bij recht eveneens aanvaardbaar heeft geacht.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde en de gebruiksmogelijkheden van de woning van appellante betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering en die vermindering van de gebruiksmogelijkheden zodanig zullen zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het betreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Broekman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

12-427.