Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
200203975/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203975/1.

Datum uitspraak: 19 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten] en anderen, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Zutphen van 11 juni 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Vorden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vorden (hierna: het college) aan [vergunninghouders] vergunning verleend voor het bouwen van bedrijfsruimten met kantoren op het perceel [locatie].

Bij besluit van 31 mei 2001 heeft het college, met overneming van het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 13 februari 2001, het daartegen door [appellanten] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk en het daartegen door de overige bezwaarmakers gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 18 oktober 2000 herroepen en, onder verlening van een aantal vrijstellingen van het bestemmingsplan, opnieuw bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

Bij uitspraak van 11 juni 2002, verzonden op 12 juni 2002, heeft de rechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 26 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 september 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 24 september 2002 hebben vergunninghouders een reactie op het hoger beroep ingezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door H.W. Annevelink, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn vergunninghouders, vertegenwoordigd door mr. M.H. Hogeman, advocaat te Zutphen, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op de gronden waarop het bouwplan betrekking heeft, rusten ingevolge de bestemmingsplannen “Bedrijventerrein Werkveld-Oost” en “Vorden centrum en oost 1994” respectievelijk de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”, met de nadere aanduiding “bestemmingsvlak I”, en de bestemming “Woongebied” met de medebestemming “Werken” en de nadere aanduiding “bestemmingsvlak II”. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de gronden zijn gelegen buiten de plandelen van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Werkveld-Oost” waaraan het college van gedeputeerde staten goedkeuring heeft onthouden.

2.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.3.1., aanhef en onder a, sub 2, in samenhang met artikel 5, lid 5.1.3. van de voorschriften van het bestemmingsplan “Vorden centrum en oost 1994”, mag het bebouwingspercentage in het bestemmingsvlak II ten behoeve van de bedrijfsgebouwen ten hoogste 60% bedragen. Onder “bestemmingsvlak II” wordt verstaan het bestemmingsvlak als aangegeven op de plankaart en niet, zoals appellanten kennelijk veronderstellen, slechts het gearceerde deel daarvan waarmee de toegelaten ruimte voor hoofd- en bijgebouwen wordt aangegeven. Blijkens de berekening van de bebouwingspercentages in het ambtelijk memo van 17 januari 2001 aan de commissie beroep- en bezwaarschriften wordt het maximale bebouwingspercentage van 60 na realisering van het bouwplan niet overschreden. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat die berekening onjuist is.

2.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.3.1., onder c1, geldt voor hoofdgebouwen een maximum goothoogte van 3,50 m en een maximale hoogte van 9 m. De maximale goothoogte wordt door het bouwplan overschreden, terwijl verder een gedeelte van de te realiseren bebouwing valt buiten de ingevolge het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komende grond. Omdat binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden ontbreken, heeft het college vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) verleend.

2.4. Ingevolge deze bepaling gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3°, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor een uitbreiding van een ander gebouw dan een woongebouw in de bebouwde kom, mits (voor zover hier van belang) de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitende terrein voor meer dan 50% is bebouwd en de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat aan de voorwaarden voor het verlenen van vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO is voldaan. Het betrokken perceel is gelegen in een gebied met (woon)bebouwing dat aansluit aan de kern Vorden. Gelet op die bebouwing en de voor het gebied geldende bestemmingen moet worden geoordeeld dat het perceel is gelegen binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 20 van het Bro 1985.

Appellanten betogen tevergeefs dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% wordt bebouwd. Dit percentage ziet op de uitbreidingsmogelijkheden op het aan de ingevolge het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komende grond aansluitende terrein. Daarvan moet worden onderscheiden het in artikel 5, lid 5.1.3. van de planvoorschriften genoemde bebouwingspercentage dat ziet op het gehele bestemmingsvlak. Geen van beide bebouwingspercentages wordt bij realisering van het bouwplan overschreden.

2.5. Appellanten betogen eveneens tevergeefs dat bij het verlenen van de vrijstelling van artikel 3, lid 3.3.2, aanhef en onder b, van de voorschriften van het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Werkveld-Oost”, om een kleinere afstand dan 3 meter tot de zijdelingse perceelgrens aan te houden, niet is voldaan aan de voorwaarde dat een deskundigenadvies moet worden ingewonnen omtrent de vraag of de vrijstelling niet leidt tot een onvoldoende toegankelijkheid van de bebouwing of tot een verhoging van risico’s, zoals brandgevaar. De bouwvergunning is immers verleend na een positief advies van bouw- en woningtoezicht. Blijkens de vergunningvoorwaarden en de begeleidende brief van het college van 25 oktober 2000 zijn mede de brandveiligheid en de toegankelijkheid getoetst. De planvoorschriften eisen niet dat het advies afkomstig moet zijn van een onafhankelijke deskundige.

2.6. Het college heeft voorts op grond van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Werkveld-Oost” vrijstelling verleend voor de overschrijding van de maximaal toegestane goothoogte.

Volgens appellanten heeft de rechtbank miskend dat het college daarbij niet heeft onderbouwd dat voor een doelmatige bedrijfsvoering een hogere goothoogte noodzakelijk is. De Afdeling kan appellanten hierin niet volgen. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college, gelet op de aard van de te ontplooien bedrijfsactiviteiten van vergunninghouders, in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat voldaan is aan deze in de planvoorschriften gestelde eis. Voor zover activiteiten door nog onbekende derden zullen worden ontplooid, is het vasthouden aan de toegestane goothoogte voor een deel van de bedrijfsbebouwing volgens het college ondoelmatig en staat dit bovendien op gespannen voet met de uitgebrachte welstandsadviezen. Dit standpunt komt de Afdeling niet onjuist voor.

De Afdeling onderschrijft verder het oordeel van de rechtbank dat, gelet op het positieve welstandsadvies, er geen grond is om aan te nemen dat een visueel goede overgang van het gebouw naar de naaste omgeving niet gewaarborgd zou zijn. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn welstandsoordeel niet heeft kunnen baseren op dit welstandsadvies, waarbij in aanmerking is genomen dat aan eerdere bezwaren van de welstandscommissie tegemoet is gekomen. Appellanten hebben terzake geen andersluidend advies ingebracht.

2.7. Volgens appellanten is de publicatie van 13 september 2000 van het voornemen van het college de vereiste vrijstellingen te verlenen onvolledig, nu daarin slechts het perceel [locatie] wordt genoemd. Niet gebleken is evenwel dat appellanten hierdoor in hun belangen zijn geschaad. Vast staat bovendien dat in de latere publicatie van 14 maart 2001 van het voornemen tot het verlenen van de vereiste vrijstellingen zowel het perceel [locatie] als het perceel [locatie] worden genoemd.

2.8. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat, gelet op de belangen van appellanten, de vereiste vrijstellingen niet in redelijkheid konden worden verleend. Gezien de afstand van het bouwperceel tot de woonbebouwing kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden staande gehouden dat een onaanvaardbare inbreuk wordt gemaakt op de privacy van appellanten. De Afdeling merkt daarbij nog op dat bedrijven tot en met categorie 2, genoemd in de staat van inrichtingen, ook binnen een afstand van 50 m van een woning zijn toegestaan.

2.9. Voor zover appellanten erop hebben gewezen dat de bedrijfsbebouwing, anders dan hun aanvankelijk was voorgehouden, mogelijk deels aan niet-lokale bedrijven zal worden verhuurd, merkt de Afdeling op dat de herkomst van de toekomstige gebruikers geen omstandigheid is die, gelet op het toetsingskader van artikel 44 van de Woningwet, bij de beoordeling van een bouwaanvraag een rol kan spelen.

2.10. Niet is gebleken dat niet aan de parkeernorm wordt voldaan. Appellanten hebben het tegendeel ook niet aannemelijk gemaakt.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2003

58-429.