Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200205416/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205416/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek ex artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2002, in zaak no. 200200289/1

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 18 september 2002, in zaak no. 200200289/1, heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) van 11 december 2001 bevestigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 4 oktober 2002 heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 januari 2003 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2003, waar verzoeker in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door mr. R. Vrijman, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. In het verzoekschrift heeft verzoeker vermeld waarom hij het niet eens is met de uitspraak. Daartoe voert hij gronden aan die geen betrekking hebben op hetgeen in de procedure die leidde tot de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2002 in geschil was. Deze gronden zouden derhalve niet tot een andere uitspraak hebben kunnen leiden als ze eerder bij de Afdeling bekend waren geweest. Reeds hierom is de Afdeling van oordeel dat door verzoeker geen feiten of omstandigheden als bedoeld in voormelde bepaling zijn aangedragen.

2.3. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

91-402.