Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5641

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200200442/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200442/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Assen van 13 december 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 december 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (hierna: het college) geweigerd met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals dat tot 3 april 2000 luidde, vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor de bouw van een veestal (potstal) op het perceel, kadastraal bekend gemeente […] sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 18/20 juli 2000 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar in afwijking van het advies van de commissie voor de rechtsbescherming van 15 maart 2000 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Assen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 mei 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2002, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. C.A. de Jong, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door J.A. Meijerink, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte de bouwvergunning wegens strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Dalen” heeft geweigerd.

2.2 [Appellant] heeft op het perceel [locatie] te [plaats] een agrarisch bedrijf uitgeoefend. Ingevolge genoemd bestemmingsplan rust op dit perceel de bestemming “Agrarische bedrijfsbebouwing” met de nadere aanduiding “AG1”. In 1998 heeft [appellant] de betrokken gronden inclusief de opstallen verkocht aan de familie [naam], die daar vervolgens een agrarisch bedrijf is gaan uitoefenen. Een strook grond van ongeveer 30 bij 70 m, die is gelegen binnen hetzelfde vlak met de bestemming “Agrarische bedrijfsbebouwing” met de nadere aanduiding “AG1”, was ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar eigendom van het trustkantoor Fagoed. Dit kantoor heeft de strook aan de dochter van [appellant], [appellante], verpacht. Hier en op het aangrenzende weiland worden, naar appellanten stellen, ongeveer 80 koeien geweid. De veestal waarop het bouwplan betrekking heeft is voor het grootste deel geprojecteerd op deze strook grond van 30 bij 70 m en moet dienen als onderkomen voor deze koeien. Vast staat dat de activiteiten van appellanten geen verband houden met het agrarisch bedrijf van de familie [naam].

2.3 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als “Agrarische bedrijfsbebouwing” op de plankaart aangegeven gronden bestemd voor veehouderij, akkerbouw- of tuinbouwbedrijven, fokkerijen, mesterijen en pluimveebedrijven, met bijbehorende gebouwen, waaronder ten hoogste één dienstwoning per bedrijf, andere bouwwerken, erven en agrarische kultuurgronden.

2.4 De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat uit artikel 3 van de planvoorschriften, bezien in samenhang met de plankaart en de toelichting op het bestemmingsplan, volgt dat per bestemmingsvlak met de aanduiding “AG1” slechts één agrarisch bedrijf mag worden uitgeoefend. Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat uit de plankaart een evenwichtige verdeling tussen de voor bebouwing bestemde gronden en de gronden die niet voor bebouwing zijn bestemd valt af te leiden en dat de vestiging van meer dan één bedrijf per bestemmingsvlak deze verdeling doorkruist. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zou een andere uitleg van het bestemmingsplan tot gevolg hebben dat de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven zouden worden beperkt. Bovendien blijkt uit de toelichting op de voorschriften dat het niet de bedoeling is het aantal agrarische bedrijven uit te breiden. Die bedoeling wordt doorkruist indien op één bestemmingsvlak meer dan één bedrijf uitgeoefend kan worden. Hetgeen appellanten hierover naar voren hebben gebracht leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel.

2.5 Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting moet ervan worden uitgegaan dat voor de toepassing van artikel 3 van de planvoorschriften het bedrijf van de familie [naam] dient te worden aangemerkt als het eerste binnen het bestemmingsvlak gevestigde agrarisch bedrijf. Daartoe wordt overwogen dat dit bedrijf is gehuisvest in de bestaande bedrijfsbebouwing en op het grootste deel van de gronden behorende bij het oorspronkelijke bedrijf van [appellant].

2.6 Uit het vorenstaande volgt dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan “Buitengebied Dalen”, zodat het betoog van appellanten faalt.

2.7 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

201.