Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5636

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200203600/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/1684
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203600/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

appellanten,, beide gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Veghel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2002 heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) in samenhang met paragraaf 4.1 van de bijlage behorende bij dit Besluit nadere eisen gesteld voor een door [appellant] gedreven distributiecentrum op het adres [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 21 mei 2002, verzonden op 28 mei 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 4 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 juli 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 6 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. K.W.H. Albert, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door T.J.M. Bockting, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting hebben appellanten de beroepsgrond inzake het ten onrechte ontvankelijk verklaren van de bezwaren van omwonenden ingetrokken.

2.2. In artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voorzover hier van belang, is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid en trillingen voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

In voorschrift 4.1.1 van de bijlage is bepaald dat het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden kan vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 opgenomen geluidgrenswaarden.

2.3. Verweerder heeft bij nadere eis 1.2 andere grenswaarden voor het maximale geluidniveau op de gevels van omliggende woningen vastgesteld dan de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit opgenomen grenswaarden. Hij heeft hiervoor onder meer aansluiting gezocht bij de geluidrapporten van Peutz & Associés B.V. van 1 december 1999, kenmerk F 2572-10, en 27 september 2000, kenmerk 2572-12, waarin is gesteld dat de maximale geluidniveaus dienen te worden vastgesteld op het aanwezige referentieniveau in de avond- en nachtperiode van respectievelijk 55 dB(A) en 53 dB(A) vermeerderd met 10 dB. Verweerder heeft overwogen dat indien hierdoor de maximale geluidgrenswaarden hoger komen te liggen dan de waarden die hiervoor zijn gesteld in voorschrift 1.1.1 van de bijlage (hierna: de Bijlage), de maximale geluidgrenswaarden zullen worden vastgesteld overeenkomstig de bovengenoemde akoestische rapporten.

2.4. Appellanten kunnen zich niet met nadere eis 1.2 verenigen. Volgens hen stemmen de hierin gestelde maximale geluidgrenswaarden voor enkele immissiepunten niet overeen met de in de akoestisch rapportage berekende maximale geluidniveaus en kunnen de gestelde waarden niet worden nageleefd.

Verweerder heeft erkend dat in nadere eis 1.2 abusievelijk de maximale geluidgrenswaarden voor bepaalde punten zijn gebaseerd op een bijtelling van 10 dB bij de geluidgrenswaarde van 50 dB(A) (etmaalwaarde) uit voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit. Hij wijst er in dit verband op dat de juiste grenswaarden zijn vermeld in de brief van Peutz & Associés B.V. van 25 juni 2002, kenmerk 2572-17, en dat deze waarden in nadere eis 1.2 dienden te worden opgenomen.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat het dictum onder 3. b) betreft in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.5. Appellanten voeren voorts aan dat niet duidelijk is of het in het besluit van 2 januari 2002 onder nadere eisen opgenomen onderdeel “3 Trilling (vervallen)”, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, zo moet worden uitgelegd dat de trillingnormen van voorschrift 1.1.2 van de bijlage bij het Besluit zijn vervallen, dan wel dat nadere eis 3 die in het concept van het besluit van 2 januari 2002 was gesteld, bij het besluit van 2 januari 2002 is komen te vervallen. Verder stellen zij dat – indien de trillingnormen wel van toepassing zijn – ten onrechte niet uitdrukkelijk is vastgelegd dat de trillingen veroorzaakt door het vrachtverkeer van en naar de inrichting over de openbare weg “Zuidkade” zijn uitgezonderd van de trillingnormen. In dit verband wijzen zij erop dat de naleefbaarheid van de normen afhankelijk is van het onderhoud van deze weg en dat zij hiervoor niet aansprakelijk kan worden gehouden.

2.5.1. In voorschrift 1.1.2 van de bijlage bij het Besluit is bepaald dat trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede de aan de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, in woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer mogen bedragen dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen”, uitgave 1993 van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (hierna: SBR2-richtlijn) voor de gebouwfunctie wonen.

In voorschrift 4.1.5 van de bijlage is bepaald, voorzover hier van belang, dat het bevoegd gezag bij nadere eis voor trillingen als bedoeld in voorschrift 1.1.2 een andere trillingsterkte kan toelaten.

2.5.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat blijkens de woorden “aan de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten” in voorschrift 1.1.2, alsmede de nota van toelichting bij voorschrift 1.1.2 van de bijlage bij het Besluit, de trillingnormen uit de SBR2-richtlijn ook van toepassing zijn op trillingen veroorzaakt door aan de inrichting toe te rekenen verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Naar zijn mening biedt voorschrift 1.1.2, in samenhang gelezen met voorschrift 4.1.5, uitsluitend de mogelijkheid om andere trillingnormen vast te leggen en bestaat er geen mogelijkheid om bepaalde activiteiten geheel van toetsing aan de trillingnormen uit de SBR2-richtlijn uit te sluiten dan wel deze normen vervallen te verklaren. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op dit standpunt gesteld. De omstandigheid dat de naleefbaarheid van deze normen afhankelijk is van de toestand van de openbare weg “Zuidkade” doet hieraan niet af. Het in het besluit van 2 januari 2002 onder nadere eisen opgenomen onderdeel “3 Trilling (vervallen)”, dat in het bestreden besluit is gehandhaafd, moet dan ook geacht worden betrekking te hebben op het vervallen van nadere eis 3 zoals die was gesteld in het concept van het besluit van 2 januari 2002. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.6. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient wat het dictum onder 3. b) betreft te worden vernietigd. Partijen hebben de Afdeling ter zitting verzocht de waarden behorende bij nadere eis 1.2 zelfvoorziend aan te passen op de door hen voorgestelde wijze. De Afdeling zal op hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veghel van 21 mei 2002, voorzover het het dictum onder 3. b) betreft;

III. bepaalt dat het dictum onder 3. b) als volgt komt te luiden:

3. b)

de waarden behorende bij nadere eis 1.2 komen te luiden als volgt:

in rekenpositie 1 (ter plaatse van de voorgevel van de woning Zuidkade 23):

- 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 55 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 2 (ter plaatse van de achtergevel van de woning Zuidkade 23):

- 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 57 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 3 (ter plaatse van de westelijke zijgevel van de woning Zuidkade 24):

- 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 59 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 4 (ter plaatse van de achtergevel van de woning Zuidkade 24):

- 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 60 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 5 (ter plaatse van de achtergevel van de woningen Chrysantenstraat 35 en 37):

- 58 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 57 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 6 (ter plaatse van de achtergevel van de woningen Chrystantenstraat 39 en 41):

- 58 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 58 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 7 (ter plaatse van de achtergevel van de woning Chrystantenstraat 43):

- 58 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 56 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 8 (ter plaatse van de voorgevel van de woning Zuidkade 24):

- 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 55 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 9 (ter plaatse van de voorgevel van de woning Zuidkade 22):

- 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 55 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 10 (ter plaatse van de achtergevel van de woning Zuidkade 22):

- 60 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 55 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht);

in rekenpositie 14 (ter plaatse van de achtergevel van de woning Chrystantenstraat 45):

- 58 dB(A) tussen 19.00 uur en 23.00 uur (avond);

- 58 dB(A) tussen 23.00 uur en 07.00 uur (nacht).;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veghel in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 768,55, waarvan een bedrag groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Veghel te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de gemeente Veghel aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 228,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

271-361.