Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200204188/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204188/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Andijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 28 juni 2002 in het geding tussen:

[verzoekers], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Andijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een kattenbuitenren (hierna: buitenren) ten behoeve van een te vestigen kattenhotel in de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 november 2000 heeft het college het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het primaire besluit gehandhaafd, met dien verstande dat de verleende vrijstelling tevens ziet op het gebruik van de binnenruimte van het pand ten behoeve van het kattenhotel.

Bij uitspraak van 28 juni 2002, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 31 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 27 september 2002 hebben [verzoekers] een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 8 oktober 2002 is namens vergunninghouder een reactie ingezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college en [verzoekers] Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2003, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.P. van der Meulen en W.H. de Bruin, beiden ambtenaar van de gemeente, en [verzoekers], bijgestaan door mr. D. van Loon, advocaat te Soest, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op de gronden waarop het kattenhotel is gesitueerd rust ingevolge het geldende bestemmingsplan “Landelijke Buurten Oost 1985” de bestemming “bebouwing met eengezinshuizen (Ea)” en op de grond waarop de buitenren is gebouwd de bestemming ”tuinen en erven gearceerd”.

2.2. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, zoals dat artikel luidt sinds 3 april 2000, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder c en e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985), kunnen burgemeester en wethouders, voor zover thans van belang, vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan voor:

c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde:

1° waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m², en

2° dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

e. een wijziging van het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500m2.

2.3. Onbetwist is dat het gebruik van de buitenren en van de binnenruimte ten behoeve van het kattenhotel in strijd is met deze bestemming. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de verleende vrijstelling geen betrekking heeft op het bouwen van de buitenren in strijd met de bestemming. Artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften bepaalt immers dat, voor zover thans van belang, de gronden, waarop de buitenren is gebouwd, zijn bestemd voor tuinen en erven met bij het hoofdgebouw behorende bouwwerken. De buitenren wordt gebouwd ten behoeve van een bedrijfsmatig kattenhotel. Nu vast staat dat onderhavig hoofdgebouw een woning is, is derhalve tevens voor het bouwen van de buitenren vrijstelling vereist als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO in samenhang met artikel 20, eerste lid, onder c, van het Bro 1985. De vrijstelling is derhalve terecht verleend voor zowel het oprichten als het gebruik.

2.4. De Afdeling stelt voorop dat de beslissing op een verzoek om vrijstelling een zelfstandige bevoegdheid van het college betreft, waarbij het een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt. Het college dient daarbij aan de hand van de actuele omstandigheden en inzichten een belangenafweging te maken.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij het voorbereiden en het nemen van de beslissing op bezwaar, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard en niet alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen heeft afgewogen. Dit betoog slaagt. Uit de stukken blijkt dat het college wel degelijk in zijn afweging rekening heeft gehouden met (eventuele) parkeeroverlast. Naar aanleiding van de brief van 20 augustus 2000, waarin [verzoekers] vragen hoe de gemeente het parkeerprobleem denkt op te lossen, heeft het college immers bij brief van 3 oktober 2000 geantwoord dat het geen informatie heeft dat er sprake zou zijn van een parkeerprobleem. Ter zitting is - mede aan de hand van foto’s en daarbij gegeven toelichting – ook gebleken dat ter plekke voldoende parkeergelegenheid is. Pas ter zitting bij de rechtbank maken [verzoekers] voor het eerst gewag van verkeershinder - in de vorm van een toename van verkeersbewegingen - die zou worden veroorzaakt door de exploitatie van het kattenhotel. Daargelaten of het niet in strijd met de goede procesorde moet worden geacht dat [verzoekers] dit aspect eerst ter zitting bij de rechtbank naar voren hebben gebracht, wordt vastgesteld dat [verzoekers] op geen enkele wijze hebben aangetoond dat sprake zou zijn van een substantiële toename van verkeershinder als gevolg van de vestiging van een kattenhotel in de omvang als in geding. Uit de ter zitting getoonde foto’s en de daarbij gegeven toelichting is daarvan ook geenszins gebleken. Voor het oordeel van de rechtbank dat sprake is van schending van het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:4, eerste lid, van de Awb bestaat dan ook geen grond.

2.6. Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat het college consequent het standpunt inneemt dat het kattenhotel, wegens het kleinschalige karakter, niet vergunningplichtig is als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Het college baseert zich daarbij op de door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in 1999 opgestelde handreiking met betrekking tot het kleinschalig houden van dieren. Naar aanleiding daarvan heeft het college geen reden gezien de vergunningverlening aan te houden als bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Woningwet. Hoewel de uitspraak van de Afdeling in een door [appelanten] aangespannen procedure met betrekking tot het ontbreken van de naar hun mening benodigde milieuvergunning uiteindelijk beslissend zal zijn, wordt op grond van de thans ter beschikking staande gegevens geen grond gezien voor het oordeel dat het bepaalde in artikel 52 voornoemd aan het verlenen van de bouwvergunning in de weg stond.

2.7. Uit de stukken is ook overigens niet gebleken dat met de vestiging van het kattenhotel in de omvang als wordt voorgestaan de belangen van [appelanten] onevenredig worden benadeeld. Het vorenstaande leidt derhalve tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten, zoals het heeft gedaan.

2.8. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, wordt het beroep van [verzoekers] ongegrond verklaard.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Alkmaar van 28 juni 2002, 00/1970 WRO19;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

58-406.