Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200201639/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201639/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vennootschap onder firma “Schone Energie Onderneming V.O.F.”, gevestigd te Delft,

appellante,

en

de Minister (thans: de Staatssecretaris) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2001 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) de op grond van de Subsidieregeling niet-industriële restwarmte-infrastructuur (hierna: de Subsidieregeling) bij besluit van 24 december 1999 ten behoeve van een bepaald project verleende subsidie ingetrokken, nadat hij een door hem als zodanig opgevat verzoek om wijziging van het project had afgewezen.

Bij besluit van 7 februari 2002 heeft de Minister het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 19 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 maart 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 april 2002.

Bij brief van 25 juli 2002 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Ahraoui en ir. W. van Grootheest, ambtenaren ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 15.13, eerste lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wmb), voorzover hier van belang, kan de Minister voor bij of krachtens ministeriële regeling aangewezen activiteiten op het gebied van milieubeheer subsidie verstrekken.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de ter uitvoering van artikel 15.13, eerste lid, van de Wmb strekkende Subsidieregeling weigert de Minister de subsidieverlening indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat het project naar zijn inschatting ook zonder de subsidie rendabel kan worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, onder a, van de Subsidieregeling dient de subsidieontvanger er voor zorg te dragen dat het project wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij de subsidieaanvraag verstrekte gegevens, tenzij de Minister op verzoek van de subsidieontvanger toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken.

Ingevolge artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden of de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

2.2. Op 24 december 1999 heeft de manager van Projectbureau CO2-reductieplan voor verweerder een subsidie verleend ter hoogte van maximaal ƒ 70.000.000,00 (€ 31.764.615,13) voor het uit twee fasen bestaande project “CO2-aanvalsplan Energie Delfland N.V.”. Door externe ontwikkelingen, die hun oorzaak vinden in de liberalisering van de energiemarkt, heeft fase 2 van het project (de bouw van een nieuwe warmtekrachtcentrale) geen doorgang gevonden en is fase 1 (betere benutting van een bestaande centrale) gewijzigd uitgevoerd. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het besluit van 21 juni 2001. Hierin heeft evengenoemde manager voor verweerder aangegeven dat hij de brief van 30 mei 2001 van appellante - met een beknopt verslag van de stand van zaken van het project en een aantal ter bespreking voorgelegde, niet uitgewerkte voorstellen voor wijziging van het project - beschouwt als een verzoek tot wijziging van het project. Verder stelt hij hierin vast dat fase 1 gedeeltelijk is uitgevoerd, dat fase 1 op zichzelf rendabel geacht moet worden, dat fase 2 in de oorspronkelijke vorm niet doorgaat en dat de uitvoering van fase 2 in gewijzigde vorm hoogst onzeker is. Het verzoek om wijziging van het project wijst hij om deze redenen af. Van het oorspronkelijke project resteert nog slechts een fractie (van fase 1), waarmee niet wordt voldaan aan artikel 11, lid 1, onder a, van de Subsidieregeling. Daarom wordt de subsidie in hetzelfde besluit ingetrokken.

2.3. In het bezwaarschrift van 26 juni 2001 heeft appellante, samengevat weergegeven, aangevoerd dat de brief van 30 mei 2001 bedoeld was om te overleggen hoe de CO2-doelstellingen maximaal zouden kunnen worden gerealiseerd, dat zij nog niet in staat is geweest een concreet gewijzigd plan in te dienen, dat zij het oneens is met de conclusie dat fase 1 op zichzelf reeds rendabel moet worden geacht, dat fase 2 bestaat uit een aantal deelprojecten in de glastuinbouw die op zichzelf elk binnen de geldende regeling subsidiabel zouden zijn, en dat over de realisatie van die deelprojecten gesprekken gestart zijn met de gemeente Bleiswijk.

2.4. In de beslissing op bezwaar van 7 februari 2002 heeft verweerder aangegeven dat fase 1 naar zijn bevindingen in zijn oorspronkelijke omvang rendabel zou zijn en dat fase 2, waarvan inmiddels is komen vast te staan dat die niet meer zal worden uitgevoerd, een essentieel onderdeel vormt van het totale project. Hij is derhalve van mening dat hij de subsidie op goede gronden heeft ingetrokken. Voorts heeft verweerder geen aanleiding gezien om bijzondere omstandigheden aan te nemen op grond waarvan de subsidieverlening voor een deel in stand zou kunnen blijven, omdat het gerealiseerde deel van fase 1, uitgaande van de gegevens uit het businessplan van 1999, rendabel is.

2.5. In het beroepschrift heeft appellante allereerst betoogd dat het besluit van 7 februari 2002 gezien moet worden als een nieuw besluit, omdat hierin andere argumenten genoemd worden dan in het besluit van 21 juni 2001.

De Afdeling kan appellante hierin niet volgen. Met het besluit van 7 februari 2002 is beoogd een beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2001. Verweerder heeft in beide besluiten in essentie dezelfde argumenten gebruikt, namelijk dat fase 2 hoogst onzeker is of niet doorgaat, dat fase 1 slechts gedeeltelijk is uitgevoerd en dat fase 1 op zichzelf rendabel is. Afgezien hiervan gaat het in de bezwaarfase om een volledige heroverweging waarbij andere argumenten kunnen worden gebruikt.

2.5.1. Voorts heeft appellante aangevoerd dat verweerder het verzoek om toestemming te verlenen tot wijziging van het project zonder deugdelijke motivering heeft afgewezen, dat hij het begrip bijzondere omstandigheden te beperkt heeft uitgelegd en dat de grond voor het buiten beschouwing laten van bijzondere omstandigheden onjuist is.

De Afdeling overweegt hierover dat verweerder in het besluit van 21 juni 2001, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, ter motivering heeft aangegeven dat voor het oorspronkelijke project destijds subsidie is verleend omdat het één integraal en in zijn geheel niet rendabel project betrof. Na het niet doorgaan van fase 2 resteert van het oorspronkelijke project nog slechts een fractie (van fase 1). Gelet op de aard en de omvang van het overgebleven deel en in aanmerking genomen dat verweerder van meet af aan groot belang heeft gehecht aan uitvoering van het oorspronkelijke project als één geheel, overeenkomstig de bij de aanvraag verstrekte gegevens, en hij dit ook aan appellante kenbaar heeft gemaakt, heeft hij in redelijkheid kunnen weigeren toestemming te geven hiervan af te wijken. Verweerder heeft vervolgens terecht geconstateerd dat niet werd voldaan aan artikel 11, eerste lid, onder a, van de Subsidieregeling, zodat toepassing van artikel 4:48, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb in beeld kwam. Verweerder heeft in redelijkheid geen bijzondere omstandigheden aanwezig behoeven te achten om af te zien van gebruikmaking van zijn in deze bepalingen neergelegde bevoegdheid om de subsidieverlening geheel in te trekken. Van dergelijke omstandigheden zou naar zijn mening sprake kunnen zijn indien het uitgevoerde deel van fase 1, uitgaande van de oorspronkelijke gegevens uit het businessplan, niet rendabel zou blijken te zijn. Dan zou daarvoor nog subsidie kunnen worden verleend. Verweerder heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat die situatie zich hier niet voordoet en dat dit deel van het oorspronkelijke project op zichzelf wel rendabel is. Dat dit naar de huidige stand van zaken en met inachtneming van de huidige kennis anders ligt, zoals appellant heeft aangevoerd, doet, wat daar verder ook van zij, hieraan niet af. Verweerder heeft immers geen toestemming verleend uit te gaan van gewijzigde gegevens, zodat het oorspronkelijk aan de subsidieaanvraag ten grondslag gelegde businessplan bepalend is gebleven.

2.5.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat hetgeen appellante heeft aangevoerd niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

18-420.