Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200201567/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200201567/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting "Stichting Multiculturele Activiteiten Utrecht", gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 6 februari 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2000 heeft de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Staatssecretaris) de aanvraag van appellante om een meerjarige instellingssubsidie in het kader van de Cultuurnota 2001-2004 op grond van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (hierna: de Wsc) afgewezen.

Bij de beslissing op bezwaar van 11 juli 2001 heeft de Staatssecretaris het besluit van 18 september 2000 herroepen en appellante - onder de daarbij gestelde voorwaarden - voor de cultuurnotaperiode 2001-2004 subsidie verleend ten bedrage van in totaal ƒ 822.623,00 (€ 373.290,00).

Bij uitspraak van 6 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 18 maart 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 april 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 15 mei 2002 heeft de Staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. L.B. Sauerwein, advocaat te Amsterdam, en [directeur] van appellante, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. Snel, advocaat te Den Haag, en drs. C.H. de Rooi, ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2 van de Wsc is de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Minister) belast met het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen; hij laat zich daarbij leiden door overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid.

Ingevolge artikel 2a, tweede lid, van de Wsc heeft de Raad voor cultuur (hierna: de raad) tot taak de regering en de beide Kamers der Staten-Generaal te adviseren over algemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk op het terrein van cultuur.

Ingevolge artikel 3 van de Wsc, voorzover hier van belang, legt de Minister eenmaal per vier jaar aan beide Kamers der Staten-Generaal een cultuurnota over, die een verslag bevat van de uitvoering van de taken en van belangrijke ontwikkelingen die daarop van invloed zijn geweest. De cultuurnota bevat tevens een beschrijving in hoofdlijnen van het cultuurbeleid van het Rijk in de daarop volgende periode van vier jaren.

Ingevolge artikel 4 van de Wsc kan de Minister ten behoeve van cultuuruitingen subsidies verstrekken.

Op grond van artikel 8 van het op de Wsc gebaseerde Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473), voorzover hier van belang, kunnen meerjarige instellingssubsidies worden verleend.

2.2. In de zogenoemde uitgangspuntenbrief “Cultuur als confrontatie” heeft de staatssecretaris, vooruitlopend op de vaststelling van de cultuurnota als bedoeld in artikel 3 van de Wsc, de uitgangspunten voor het cultuurbeleid 2001-2004 uiteengezet. In hoofdstuk 2 heeft hij bepaald dat de raad zijn adviezen over de - subsidieaanvragen van de - afzonderlijke instellingen moet baseren op vier criteria, te weten kwaliteit, maatschappelijk bereik, subsidie-per-bezoek en positie in het bestel, die mede het instellingsprofiel omvat. Bovendien heeft hij bepaald dat kwaliteit het leidende subsidiecriterium in het cultuurbeleid is en blijft.

2.3. Appellante betoogt tevergeefs dat de rechtbank haar beroep te beperkt heeft opgevat door niet expliciet in te gaan op de voorwaarden die zijn verbonden aan de subsidieverlening. Blijkens het proces-verbaal van de rechtbankzitting heeft de rechtbank, mede gelet op de inhoud van het beroepschrift, ervan kunnen uitgaan dat het beroep zich liet vertalen als te zijn gericht tegen de hoogte van de subsidie.

2.4. Appellante kan evenmin worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank ten aanzien van het door de Staatssecretaris opgestelde verweerschrift het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Uit het proces-verbaal van de rechtbankzitting blijkt immers, dat de inhoud van het verweerschrift aldaar aan de orde is geweest. Appellante heeft toen niet kenbaar gemaakt dat zij van de inhoud van dat stuk niet op de hoogte was. Overigens heeft appellante de beschikking over het verweerschrift bij de behandeling van het hoger beroep en kan haar reactie daarop worden betrokken bij de beoordeling daarvan. Derhalve kan niet staande worden gehouden dat appellante thans nog onevenredig in haar belangen is geschaad.

2.5. Appellante betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de Staatssecretaris haar ten onrechte subsidie heeft geweigerd voor haar nieuwe activiteiten, te weten culturele jongerenfestivals en lezingen, aangezien zij een van de weinige instellingen zo niet de enige instelling is die zich zo direct bezig houdt met het stimuleren van participatie van allochtonen bij literaire activiteiten en haar activiteiten daarmee zeer goed passen binnen het streven van de Staatssecretaris, dat gericht is op het vergroten van culturele diversiteit.

Ook dit betoog faalt. Ter uitvoering van en in overeenstemming met de in de uitgangspuntenbrief van de Staatssecretaris genoemde subsidiecriteria heeft de raad het door appellante in het kader van de subsidieaanvraag ingediende beleidsplan beoordeeld. Te dien aanzien heeft de raad met betrekking tot de culturele jongerenfestivals geadviseerd dat die meer passen in algemene cultuureducatieve activiteiten, waarin voor de desbetreffende leeftijdscategorie reeds op andere wijze in ruime mate wordt voorzien, en daarom niet voor subsidie in aanmerking komen. Ook de door appellante voorgenomen lezingen heeft de raad in zijn advies aan de Staatssecretaris niet subsidiabel geacht, omdat al voldoende andere organisaties deze activiteit met rijkssubsidie uitvoeren.

Het oordeel dat deze activiteiten onvoldoende onderscheidend zijn, is een artistiek-inhoudelijk oordeel. In zoverre heeft de rechtbank appellante terecht tegengeworpen dat zij geen andersluidend gekwalificeerd tegenadvies heeft overgelegd of feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden moeten geven voor het oordeel dat het advies van de raad op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De Staatssecretaris heeft zich bij zijn oordeelsvorming met betrekking tot het onderhavige subsidieverzoek dan ook niet ten onrechte mede gebaseerd op het advies van de raad. Overigens heeft de Staatssecretaris in de beslissing op bezwaar niet volstaan met een enkele verwijzing naar dit advies, maar heeft hij uiteengezet in hoeverre en waarom hij het advies van de raad aan de beslissing op bezwaar ten grondslag heeft gelegd. Die beslissing is dan ook niet in strijd met de artikelen 3:9 en 3:49, gelezen in samenhang met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gemotiveerd.

Gelet op het voorgaande faalt het betoog van appellante, dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat de Staatssecretaris de beoordeling van appellantes beleidsplan op onzorgvuldige wijze heeft uitgevoerd.

2.6. Appellante kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de in de huidige cultuurnotaperiode ten behoeve van de MEP- en de Mini MEP-activiteiten verleende meerjarige instellingssubsidie onredelijk laag is, omdat haar in de voorafgaande cultuurnotaperiode voor die activiteiten een hoger subsidiebedrag is toegekend.

Appellante wordt voor deze activiteiten in de aan de orde zijnde cultuurnotaperiode een meerjarige instellingssubsidie verleend ten bedrage van in totaal ƒ 822.623,00 (€ 373.290,00), hetgeen neerkomt op ongeveer ƒ 211.000,00 (€ 95.747,63) per jaar. Gebleken is dat appellante naar aanleiding van haar aanvraag om een meerjarige instellingssubsidie voor de cultuurnotaperiode 1997-2000 subsidie is verleend ter hoogte van ƒ 125.000,00 (€ 56.722,53) per jaar. In aanmerking genomen dat deze meerjarige instellingssubsidie in de zin van de Wsc dient te worden onderscheiden van incidenteel verleende subsidies op een andere grondslag, moet worden geconcludeerd dat appellante in de huidige cultuurnotaperiode voor dezelfde activiteiten ƒ 86.000,00 (€ 39.025,01) meer aan meerjarige instellingssubsidie is verleend dan in de voorafgaande cultuurnotaperiode.

Evenwel, ook als de stelling van appellante dat zij - zoals zij heeft aangevoerd - feitelijk over een groter totaalbudget beschikte, juist is, faalt haar betoog dat haar een onredelijk lage subsidie is verleend. Reeds uit het primaire besluit blijkt immers dat het aantal subsidieaanvragen, waarover de raad advies heeft uitgebracht, in vergelijking met de voorgaande cultuurnotaperiode zodanig is gestegen dat met het beperkte cultuurbudget niet alle subsidieaanvragen - volledig - kunnen worden ingewilligd. Genoodzaakt tot het stellen van stringente prioriteiten heeft de raad, in overeenstemming met de criteria zoals vermeld in de uitgangspuntenbrief, de aanvraag en het bijbehorende beleidsplan van appellante niet louter op zichzelf staand beoordeeld, maar heeft hij deze geplaatst binnen een integrale afweging van alle aanvragen. Gelet hierop mocht appellante er niet op vertrouwen dat het haar in de jaren 1997 tot en met 2000 toegekende budget tenminste gelijk zou blijven. Niet kan dan ook worden staande gehouden dat de in de huidige cultuurnotaperiode aan appellante verleende meerjarige instellingssubsidie onredelijk laag is.

2.7. Het betoog van appellante dat vergelijkbare instellingen veel hogere subsidiebedragen hebben ontvangen, faalt. Appellante heeft geen gegevens verstrekt die dit betoog aannemelijk maken. Ook overigens is daarvan niet gebleken.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Schuurman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

282-408.