Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200203036/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203036/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bladel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2002, kenmerk MB2002.0017, heeft verweerder een verzoek van appellant om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de pluimveehouderij gelegen op het perceel [locatie] te [plaats] wegens het overtreden van enkele voorschriften van de krachtens de Wet milieubeheer voor de inrichting verleende vergunningen afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2002, verzonden op 26 april 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 juni 2002.

Bij brief van 18 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 januari 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, en verweerder, vertegenwoordigd door J.A. Schilders, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij] als partij gehoord, bijgestaan door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Voor de pluimveehouderij is op 28 juli 1998 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend. Voorts is op 15 juli 1999 krachtens dezelfde wet een veranderingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de pluimveehouderij met een mestdrooginstallatie.

2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan een ieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

2.3. Appellant betoogt dat de pluimveehouderij stofhinder veroorzaakt met name door gedroogde kippenmest. Dit stof slaat neer op de ruiten van de kassen van het door hem uitgeoefende glastuinbouwbedrijf. Deze stofhinder wordt volgens appellant veroorzaakt door overtreding van de voorschriften 1.a.x., 3.c.i, 10.a.iii en 10.c.x van de bij besluit van 28 juli 1998 verleende revisievergunning en de voorschriften 1.2.2 en 1.2.11 van de bij besluit van 15 juli 1999 verleende veranderingsvergunning. Verweerder had tegen deze overtredingen handhavend moeten optreden, aldus appellant.

2.3.1. Ingevolge voorschrift 1.a.x van de bij besluit 28 juli 1998 verleende vergunning moet stofophoping in de inrichting, met name op koelribben van elektromotoren en lampen, door regelmatig schoonmaken worden voorkomen.

Ingevolge voorschrift 3.c.i van de bij besluit 28 juli 1998 verleende vergunning moeten afvalstoffen regelmatig uit de inrichting worden verwijderd, zonder dat de omgeving wordt verontreinigd.

Ingevolge voorschrift 10.a.iii van de bij besluit 28 juli 1998 verleende vergunning mag bij het verwijderen van mest de omgeving niet worden verontreinigd. Vaste mest moet worden getransporteerd in daarvoor geschikte transportmiddelen, die op correcte wijze zijn beladen.

Ingevolge voorschrift 10.c.x van de bij besluit 28 juli 1998 verleende vergunning moet de mest op de mestband ten minste eenmaal per week worden verzameld en overgebracht naar een container die behoudens tijdens het bijstorten van mest gesloten moet zijn.

Ingevolge voorschrift 1.2.2 van de bij besluit van 15 juli 1999 verleende veranderingsvergunning moeten de mestbanden en de beluchtingsinstallatie zodanig worden gedimensioneerd, geïnstalleerd en onderhouden dat te allen tijde de goede werking is gewaarborgd.

Ingevolge voorschrift 1.2.11 van de bij besluit van 15 juli 1999 verleende veranderingsvergunning moeten de droogtunnel en aan- en afvoerbanden worden voorzien van een deugdelijke afscherming zodat verspreiding van stof wordt voorkomen.

2.3.2. Verweerder heeft overwogen dat het onvermijdelijk is dat bij een pluimveehouderij enige stof vrijkomt. De voornoemde voorschriften worden, met uitzondering van voorschrift 1.2.11, niet overtreden, aldus verweerder.

2.3.3. In de pluimveehouderij mogen 144.200 opfokhennen en -hanen van legrassen (< 18 weken) worden gehouden. Verder bezit de inrichting een mestdrooginstallatie voor het drogen van de mest. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gedroogde pluimveemest door middel van een transportband dagelijks uit de pluimveestal wordt afgevoerd naar een gesloten mestloods en in deze loods wordt gestort in een container. Indien de container vol is, wordt deze uit de inrichting verwijderd. Bij verwijdering van deze container uit de inrichting is deze gesloten.

De voorschriften 3.c.i en 10.a.iii hebben geen betrekking op de emissie van stof, waaronder stof van de gedroogde kippenmest, maar zien slechts op het expliciet verwijderen van mest en afvalstoffen vanuit de inrichting. Daarvoor is een handeling van de drijver van de inrichting vereist. Niet gebleken is dat deze voorschriften niet worden nageleefd. Ter zitting is gebleken dat de container in de mestloods wordt gesloten, nadat de gedroogde pluimveemest daarin is gestort. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat voorschrift 10.c.x. niet wordt overtreden.

Verder heeft verweerder overwogen dat de drijver van de pluimveehouderij er zelf belang bij heeft dat aan de voorschriften 1.a.x en 1.2.2 wordt voldaan, aangezien dat in het belang is voor een goede werking van de in deze voorschriften genoemde apparaten. Voorts heeft verweerder gesteld dat tijdens controlebezoeken aan de inrichting, waaronder het bezoek op 9 januari 2002, niet is gebleken dat de voorschriften 1.a.x. en 1.2.2 niet werden nageleefd. Weliswaar was in de inrichting enig stof aanwezig, maar dat is inherent aan een pluimveehouderij.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat de voorschriften 1.a.x en 1.2.2 niet worden overtreden. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de voorschriften 1.a.x, 3.c.i., 10.a.iii en 10.c.x van de bij besluit van 28 juli 1998 verleende vergunning en voorschrift 1.2.2 van de bij besluit van 15 juli 1999 verleende vergunning niet werden overtreden. In zoverre was verweerder niet bevoegd om handhavend op te treden.

2.4. Verweerder heeft erkend dat niet aan voorschrift 1.2.11 is voldaan. Gelet hierop was verweerder in zoverre bevoegd handhavend op te treden. De vraag is of verweerder daarvan in redelijkheid heeft kunnen afzien.

2.4.1. Verweerder heeft overwogen dat door de aanwezigheid van de mestdrooginstallatie in de pluimveehouderij onderscheid moet worden gemaakt tussen continue en discontinue stofemissie. Bij de continue stofemissie wordt constant een lichte vorm van stof uitgestoten die inherent is aan de normale bedrijfsvoering van een pluimveehouderij. Door de drijver van de inrichting zijn reeds vele voorzieningen getroffen om deze stofhinder te beperken, zodat geen verdere reductie meer kan worden behaald. De discontinue stofemissie treedt op bij het afdraaien van mest in de mestdrooginstallatie. Daarbij komt veel stof vrij. Inmiddels is een technische oplossing gevonden om deze stofhinder aanmerkelijk te reduceren, aldus verweerder.

2.4.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de afstand tussen de pluimveehouderij en de dichtstbijgelegen kassen van appellant zes meter bedraagt. De beide bedrijven worden slechts van elkaar gescheiden door een sloot. Niet in geschil is dat deze dichtstbijgelegen kassen later zijn opgericht dan de aan de andere kant van de sloot liggende stal van de pluimveehouderij. Ter zitting is gebleken dat ten gevolge van de bij besluit van 15 juli 1999 verleende vergunning de afstand tussen het emissiepunt van de pluimveehouderij en de desbetreffende kassen groter is geworden.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat de pluimveemest via mestbanden uit de stal wordt afgevoerd en op geperforeerde banden achter de ventilatoren wordt gebracht. De (warme) ventilatielucht uit de stallen wordt door de mest geblazen om de mest te drogen. Ter zitting is gebleken dat de ventilatoren dagelijks ongeveer 480.000 m3 lucht door de mest blazen. In de mestdrooginstallatie bevindt zich een opening van ongeveer 90 m2 voor het uitlaten van de lucht. Deze opening wordt afgeschermd met een doekfilter. Ter zitting is gebleken dat deze opening noodzakelijk is voor een goede ventilatie van de stallen.

Tijdens het afdraaien van pluimveemest wordt deze van de mestbanden uit de stal naar de mestdrooginstallatie gebracht en wordt de daarin gedroogde mest via een systeem van zich boven elkaar bevindende geperforeerde banden naar beneden gestort en afgevoerd naar de mestopslagloods. Ter zitting is gebleken dat iedere ochtend mest wordt afgedraaid.

2.4.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de drijver van de pluimveehouderij in het verleden de nodige voorzieningen heeft getroffen om de stofhinder door het afdraaien van mest te beperken, zij het dat deze voorzieningen nog niet toereikend waren. Verder is gebleken dat door het ingeschakelde adviesbureau Tauw Milieu te Eindhoven een technische oplossing is gevonden voor de discontinue stofemissie. Deze stofemissie kan met 70 tot 80 procent worden teruggebracht. Daartoe is inmiddels een plan van aanpak bij verweerder ingediend.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat de drijver van de pluimveehouderij reeds diverse voorzieningen heeft getroffen om de continue stofhinder zoveel mogelijk te beperken. Aannemelijk is geworden dat deze hinder niet wezenlijk afwijkt van hetgeen bij pluimveehouderijen van deze omvang gebruikelijk is. Ook is aannemelijk geworden dat een verdere reductie van de continue stofemissie nauwelijks realiseerbaar is. De Afdeling is van oordeel dat, wat de precieze betekenis van voorschrift 1.2.11 ook mag zijn, verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat een nulemissie van stofhinder bij een pluimveehouderij onmogelijk is en dat de stofemissie in het onderhavige geval nauwelijks verder kan worden gereduceerd. De Afdeling acht het voldoende aannemelijk dat het neerslaan van stof op de ruiten van de kassen van appellant het gevolg is van de beperkte ruimtelijke scheiding tussen de pluimveehouderij en het glastuinbouwbedrijf van appellant. Vast staat dat de dichtstbij de pluimveehouderij gelegen kassen later zijn opgericht dan de pluimveehouderij.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat appellant bij verweerder een verzoek heeft ingediend om zijn bouwblok gelegen op het perceel [locatie] te verschuiven of te vergroten, zodat hij de dichtstbij de pluimveehouderij gelegen kassen zou kunnen verplaatsen en de afstand tussen de kassen en de pluimveehouderij zou toenemen. De adviescommissie agrarische bouwaanvragen heeft positief op dit verzoek van appellant geadviseerd. Ter zitting is gebleken dat verweerder in principe bereid is aan een verplaatsing van kassen medewerking te verlenen.

Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat verweerder na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid van handhavend optreden heeft kunnen afzien.

2.5. Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Plambeck

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

189-307.