Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5615

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200204122/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200204122/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1], gevestigd te [woonplaats],

en

2. Immobilien Beteiligungs und Vertriebsgesellschaft GmbH

(BB Fonds International 3 Holland),

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 20 juni 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellanten om vrijstelling voor het gebruik van het bedrijfspand aan de [locatie] (hierna: het bedrijfspand) ten behoeve van detailhandel.

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 30 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door L.P.J. Rog, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Appellanten hebben bij aanvullend bezwaarschrift van 22 juni 2001, gericht tegen het besluit van 28 maart 2001, het verzoek om vrijstelling van 23 januari 2001 ten behoeve van detailhandel voor het gehele bedrijfspand bijgesteld. Appellanten betogen dat deze bijstelling slechts een relatief geringe wijziging inhoudt ten opzichte van het oorspronkelijke verzoek. Zij menen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de bijstelling terecht heeft aangemerkt als een nieuw verzoek om vrijstelling.

2.2. Dit betoog faalt. Bij brief van 23 januari 2001 hebben appellanten uitdrukkelijk verzocht om vrijstelling voor detailhandel in het bedrijfspand voor een vloeroppervlakte van 7.100 m2, te weten het gehele bedrijfspand. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hebben appellanten met dit verzoek beoogd met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze geldt vanaf 3 april 2000, (hierna: de WRO) vrijstelling te verkrijgen voor het gehele bedrijfspand. In bezwaar hebben appellanten dit verzoek bijgesteld, in die zin dat zij voor een gedeelte van de vloeroppervlakte, ter grootte van 1.200 m2, hebben verzocht om vrijstelling ten behoeve van het gebruik van wit- en bruingoed met toepassing van het derde lid van artikel 19 van de WRO. Voor de resterende vloeroppervlakte van, naar ter zitting is vastgesteld, 5.900 m2, hebben appellanten in hun bijgestelde verzoek verzocht om vrijstelling ten behoeve van detailhandel met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO.

2.2.1. Deze bijstelling van het oorspronkelijke verzoek heeft, voor het gedeelte van 1.200 m2, gevolgen voor de juridische kwalificatie van het verzoek om vrijstelling en betekent daarmee een breuk met de aanvankelijk te doorlopen vrijstellingsprocedure. Daar komt bij dat appellanten in hun bijgestelde verzoek voor de betreffende 1.200 m2 van het bedrijfspand gebruik ten behoeve van wit- en bruingoed voorstaan, terwijl het oorspronkelijke verzoek was gericht op detailhandel in het algemeen. Deze nadere aanduiding van het beoogde gebruik voor een (bepaald) gedeelte van het bedrijfspand, vergt van het college een andere afweging dan het oorspronkelijke verzoek om vrijstelling, dat ziet op het gebruik van het gehele pand ten behoeve van detailhandel in het algemeen.

2.2.2. Ten aanzien van het bijgestelde verzoek met betrekking tot de resterende vloeroppervlakte van 5.900 m2, volgt de Afdeling de rechtbank evenwel niet in haar oordeel, dat het college deze bijstelling van het verzoek diende op te vatten als een nieuw vrijstellingsverzoek. Daarbij is van belang dat voor dit gedeelte van het bedrijfspand de bijstelling van het verzoek een relatief geringe wijziging van ondergeschikte aard inhoudt ten opzichte van het oorspronkelijke verzoek. De bijstelling houdt slechts in dat appellanten niet langer om vrijstelling verzoeken ten behoeve van detailhandel voor een oppervlakte van 7.100 m2, maar voor een oppervlakte van 5.900 m2. Deze bijstelling beperkt uitsluitend de oppervlakte, maar niet het gebruik en heeft naar haar aard geen gevolgen voor de te doorlopen vrijstellingsprocedure. Appellanten verzoeken in de procedure geen vrijstelling voor een ander gebruik, dan zij met het oorspronkelijke verzoek beoogden.

2.2.3. Het voorgaande leidt tot het oordeel van de Afdeling dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het college het verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO terecht heeft aangemerkt als een nieuw verzoek waarop een afzonderlijk primair besluit diende te worden genomen.

Voorzover de rechtbank heeft geoordeeld dat het college ten onrechte de bijstelling van het verzoek voor het gedeelte van 5.900 m2 heeft verdisconteerd bij de behandeling van het oorspronkelijke verzoek, is dit oordeel onjuist. De Afdeling ziet daarin echter geen reden om de uitspraak van de rechtbank op dit punt te vernietigen, daar de rechtbank, zij het op verkeerde gronden, niettemin aan een inhoudelijke beoordeling van de in bezwaar gehandhaafde weigering is toegekomen.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen voor detailhandel in het bedrijfspand. Appellanten betwisten dit oordeel. Zij menen dat de functie detailhandel past binnen het toekomstige detailhandelsbeleid voor het desbetreffende gebied en dat het college derhalve in redelijkheid was gehouden vrijstelling te verlenen met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO voor een oppervlakte van 5.900 m2.

2.3.1. De Afdeling volgt appellanten niet in dit betoog. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het geen medewerking verleent aan de gevraagde vrijstelling. Het heeft daartoe terecht verwezen naar het geldende bestemmingsplan, dat aan het gebruik ten behoeve van detailhandel in de weg staat. Daarbij is van belang dat het bestemmingsplan op dit punt niet was verouderd ten tijde van de beslissing op bezwaar.

Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het gebruik ten behoeve van detailhandel, anders dan perifere detailhandel, in strijd is met het gemeentelijk beleid voor perifere detailhandelsvestiging (het PDV-beleid), dat is vastgesteld op 2 januari 1996. Dit beleid, dat is gebaseerd op het rijksbeleid voor perifere detailhandelsvestiging, houdt in dat uitsluitend de bedrijfstakken zijn toegestaan die vallen binnen het rijksbeleid te weten: auto’s, boten, caravans, brand- en explosiegevaarlijke stoffen, grove bouwmaterialen, bouwmarkten, keukens/sanitair, tuincentra en woninginrichting. Bruin- en witgoed vallen niet binnen genoemd beleid.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat het college op grond van dit beleid niet in redelijkheid tot weigering van de vrijstelling heeft kunnen besluiten. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat voor het college geen aanleiding bestond om af te wijken van het uitgangspunt dat het beleid dient te worden toegepast dat gold op het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar, aangezien de concept-ontwikkelingsvisie Wagenweg 2000-2010 ten tijde van het besluit op bezwaar geen status had en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening nog niet was vastgesteld.

2.4. Het beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

71-439.