Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5608

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200200385/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200385/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 11 december 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk.

1. Procesverloop

Op 21 april 2000 heeft [vergunninghouder] een bouwvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de woning en op 25 april 2000 melding gedaan van zijn voornemen tot het bouwen van een berging op het perceel [locatie] (hierna: het perceel). De aanvraag en de melding zijn bij de gemeente ingekomen op 25 april 2000.

Bij besluit van 20 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een berging op het perceel.

Bij besluit van 8 augustus 2000 hebben burgemeester en wethouders aan [vergunninghouder] een binnenplanse vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op het perceel.

Bij besluiten van 21 november 2000 hebben burgemeester en wethouders de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Daarbij hebben zij de bouwvergunning voor de uitbreiding van de woning gehandhaafd en de verleende bouwvergunning voor een berging herroepen en medegedeeld dat van rechtswege de melding voor de bouw van die berging is geaccepteerd.

Bij uitspraak van 11 december 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 18 maart 2002 heeft het college van antwoord gediend. Bij faxbericht van 26 februari 2002 heeft [vergunninghouder] van antwoord gediend.

Bij schrijven van 22 augustus 2002 hebben appellanten aanvullende stukken en een nadere memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P.J. Graafstal, advocaat te Ermelo, en het college, vertegenwoordigd door G. Maatkamp, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [vergunninghouder] daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan houdt in een uitbreiding van de woning en het plaatsen van een berging op het hiervoor genoemde perceel.

2.2. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat deze uitbreiding en berging niet in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, aangezien zij zijn gesitueerd voor de voorgevel van de woning.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Vogelwaard” rust op het perceel de bestemming “Eengezinswoningen (type B) in gesloten bebouwing met bijbehorende erven”. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor woningen met bijbehorende erven, bijgebouwen en andere bouwwerken, met dien verstande dat de eengezinshuizen uitsluitend mogen worden opgericht binnen het op de kaart gegeven bebouwingsoppervlak.

Bij de eerste partiële herziening van onder meer het bestemmingsplan “Vogelwaard” is – voor zover hier van belang – artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, f en g, gewijzigd als volgt:

”Op het bijbehorende erf (waaronder in dit verband wordt verstaan: het op de kaart als zodanig aangegeven erf tezamen met het niet bebouwde gedeelte van het bebouwingsvlak voorzover gelegen achter de voorgevel van de woning) mogen worden gebouwd:

- aan- en/of uitbouwen van woningen;

- bijgebouwen:

- bouwwerken geen gebouwen zijnde,

met dien verstande dat:

a. in totaal niet meer dan 50% van het bijbehorende erf mag worden bebouwd met een maximum van 50 m² (…);

b. de aan- en of uitbouwen van woningen zowel voor bewoning als voor bijgebouw mogen worden gebruikt; in geval de aan- of uitbouw voor bewoning wordt gebruikt dient deze aaneengebouwd te zijn en onderdeel uit te maken van de hoofdbebouwing;

c. de goothoogte van aan- of uitbouwen en van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 2,75 meter; de aan- of uitbouw/bijgebouw mag dus worden voorzien van een kapruimte, waarbij de nokhoogte niet meer mag bedragen dan 4.50 meter;

d. (…);

e. (…).”

Ingevolge het tweede lid van artikel 2 is het bepaalde in artikel 2 (lees: 1), tweede lid, van overeenkomstige toepassing. In dat artikellid is bepaald dat daar waar op de plankaart op de bestemming “bijbehorende erven” een uitbouwstrook is aangegeven – voor zover hier van belang - de eengezinswoningen buiten het bebouwingsoppervlak mogen worden vergroot met dien verstande dat de vergroting uitsluitend mag plaatsvinden op de grond aangegeven voor uitbouwstrook.

Krachtens artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn burgemeester en wethouders bevoegd om vrijstelling te verlenen van de bepaling in deze voorschriften ten aanzien van onder meer de in artikel 2 geëiste afstanden, maten, oppervlakten en dergelijke tot een maximum van 10% van de voorgeschreven maten.

2.4. Gelet op de plankaart staat vast staat dat de uitbreiding van de woning is gesitueerd op de in artikel 2, tweede lid, in samenhang met artikel 1, tweede lid, bedoelde uitbouwstrook. De rechtbank heeft, gelet op de plankaart en de planvoorschriften in onderlinge samenhang gelezen, met juistheid overwogen dat deze uitbouwstrook is gelegen direct aansluitend aan de achtergevel van de woning. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de planwetgever heeft beoogd die grond tot uitbouwstrook te bestemmen die aansluit aan de voorgevel. De uitbreiding is dan ook gesitueerd achter de achtergevel van de woning en derhalve eveneens achter de voorgevel. De rechtbank is eveneens tot dit oordeel gekomen. Voorts is niet gebleken dat de uitbreiding niet voldoet aan het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Uit hetgeen appellanten betogen kan niet worden afgeleid dat het college niet in redelijkheid vrijstelling op grond van dit artikel en bouwvergunning heeft kunnen verlenen. Dit betoog slaagt derhalve niet.

De berging is gesitueerd op het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde bijbehorend erf. Gelet op de plankaart is deze grond gelegen aansluitend aan de uitbouwstrook. Deze grond is gelet op het hiervoor overwogene gelegen achter de achtergevel en achter de voorgevel van de woning. De rechtbank is eveneens tot dit oordeel gekomen. De berging voldoet verder aan het bepaalde in artikel 2, eerste lid, zoals dit luidt na de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ook de berging niet in strijd is met het bestemmingsplan. Bij de beslissing op bezwaarschrift heeft het college derhalve terecht meegedeeld dat de op 25 april 2000 gedane melding alsnog van rechtswege was geaccepteerd.

2.5. Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het beoogde gebruik van de uitbreiding in strijd is met het bestemmingsplan.

2.6. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder i, zijn de op de kaart als “Eengezinswoningen (type B) in gesloten bebouwing met bijbehorende erven” aangewezen gronden bestemd voor woningen met bijbehorende erven, bijgebouwen en andere bouwwerken met dien verstande dat elk eengezinshuis in hoofdzaak niet anders mag worden gebruikt dan voor bewoning.

Als gevolg van de eerste partiële herziening van onder meer dit bestemmingsplan mogen– voor zover hier van belang – woningen als hier bedoeld mede worden gebruikt voor de uitoefening van vrije beroepen, mits de woonfunctie van het perceel gehandhaafd blijft en dit gebruik plaatsvindt in samenhang met het gebruik van de woonruimte. Onder “vrij beroep”wordt in dit verband onder meer alleen verstaan: verzekeringsagent.

2.7. Vast staat dat vergunninghouder verzekeringsagent is en dat hij zijn beroep hoofdzakelijk uitoefent in een bedrijfspand elders in Harderwijk. Ook de uitbreiding van zijn woning gebruikt hij voor zijn beroep. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het beoogde gebruik van deze uitbreiding niet in strijd is met het bestemmingsplan. Voorzover appellanten hebben gesteld dat ook de echtgenote van vergunninghouder de uitbreiding in strijd met het bestemmingsplan beroepsmatig gebruikt, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat omtrent een dergelijk toekomstig gebruik thans nog niets vaststaat, zodat het college bij de beoordeling van de bouwaanvraag hiermee geen rekening behoefde te houden. Dit betoog slaagt niet.

2.8. Appellanten betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college het positieve welstandsadvies niet zonder nadere motivering aan de bouwvergunning ten grondslag had mogen leggen.

2.9. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het welstandsadvies naar de inhoud en wijze van totstandkoming ervan niet zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan hun besluit tot verlening van de bouwvergunning ten grondslag hadden mogen leggen. Ook op grond van hetgeen appellanten betogen kan niet tot een dergelijk oordeel worden gekomen. Nu appellanten daarnaast geen contra-expertise hebben laten verrichten waaruit blijkt dat burgemeester en wethouders ten onrechte het positieve advies van de welstandscommissie hebben gevolgd, faalt hun betoog.

2.10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Groenendijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

164.