Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5586

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200202309/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/968
JOM 2008/566
OGR-Updates.nl 1000505
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202309/1.

Datum uitspraak: 12 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "N.S. Railinfrabeheer B.V., Regio Randstad Noord", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2002, kenmerk 2002WEM000635i, heeft verweerder de door appellante aangevraagde revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor het veranderen van het spoorwegemplacement Utrecht Centraal Station te Utrecht geweigerd. Dit besluit is op 14 maart 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 25 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 juni 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante en verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, E.H.C. Schuurmans, E.T. Borren, en A. Cardol, gemachtigden,

en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.F.J. Tophoven, gemachtigde, en R. Sewnarain Sukul en M.C.J. Puhl, ambtenaren van de provincie,

zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit vergunning is geweigerd, betreft het N.S. spoorwegemplacement Utrecht Centraal Station en bestaat uit de deellocaties “de Landstraat”, “Utrecht Opstelterrein Zuid (OZ)”, “Utrecht GE (goederenemplacement)”, “de Waaier”, en sporen onder de overkapping. Bij besluit van 24 september 1996 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor het spoorwegemplacement. Dit besluit is door de Afdeling bij uitspraak van 11 november 1999, no. E03.96.1584, vernietigd. Naar aanleiding van deze vernietiging is door appellante op 28 februari 2000 een nieuwe aanvraag om vergunning bij verweerder ingediend, welke vergunning bij het te dezen bestreden besluit is geweigerd.

2.3. Appellante stelt dat het belang van spoorwegemplacement Utrecht Centraal Station evident is voor het goed functioneren van het spoorsysteem. In dit verband wijst appellante op de activiteiten die in de inrichting plaatsvinden teneinde het reizigers- en goederenvervoer per spoor goed te laten verlopen. De aanwezigheid van het emplacement is volgens appellante onontbeerlijk om het doorgaande treinverkeer ter plaatse niet te laten blokkeren. Het terugdringen van de hoge geluidbelasting van de inrichting vergt volgens appellante relatief kostbare maatregelen. Een zeer ruwe raming komt volgens appellante uit op 24,95 miljoen euro als volledig aan de normen van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening moet worden voldaan en op 8,16 miljoen euro als voor het merendeel aan de normen wordt voldaan. Het ontbreken van voldoende financiële middelen, waarvoor appellante afhankelijk is van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, heeft appellante, zo stelt zij, genoopt om een vergunning aan te vragen zonder daarbij maatregelen te treffen om de hoge geluidbelasting als gevolg van de activiteiten in de inrichting terug te dringen en zonder te kunnen aangeven wanneer zij wel over financiële middelen beschikt om deze maatregelen te treffen. Volgens appellante kunnen de activiteiten in de inrichting niet worden verplaatst naar een ander spoorwegemplacement en bestaan hiervoor geen reële alternatieven. Ondanks de uitdrukkelijke wens om een toekomstvaste situatie voor het spoorwegemplacement te creëren, had verweerder volgens appellante tenminste de huidige activiteiten in de inrichting kunnen vergunnen om zo te waarborgen dat het landelijke openbare personen- en goederenvervoersysteem niet door onoverkomelijke beperkingen op het knooppunt Utrecht wordt verstoord.

2.4. Verweerder heeft de aanvraag om vergunning getoetst aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Mede onder verwijzing naar de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door spoorwegemplacementen; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 januari 1998 stelt verweerder zich op het standpunt dat de bestaande geluidbelasting van de inrichting in beginsel vergunbaar is, aangevuld met een inspanningsverplichting om na een overgangsperiode te voldoen aan de normen van voornoemde handreiking. De door appellante ingediende aanvraag heeft volgens verweerder mede betrekking op uitbreiding van de activiteiten. Uit de bij de aanvraag behorende akoestische rapporten heeft verweerder geconcludeerd dat de aangevraagde activiteiten bij het overgrote deel van de 279 omliggende woningen gedurende de nachtperiode een forse overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot gevolg hebben. Omdat volgens verweerder sprake is van een voor omwonenden ontoelaatbare geluidbelasting heeft hij aanleiding gezien om de aangevraagde vergunning te weigeren.

2.5. De Afdeling stelt vast dat het door verweerder gehanteerde beoordelingskader niet door appellante wordt bestreden. Blijkens de aanvraag worden per nacht 160 rijtuigbakken in de inrichting opgesteld. Niet in geding is dat deze capaciteit, uitgaande van de situatie dat de rijtuigbakken nog niet zijn voorzien van geluidreducerende maatregelen, maatgevend is voor het bepalen van de bestaande geluidbelasting van de inrichting, zoals bedoeld in de door verweerder gehanteerde circulaire van 13 januari 1998. Voorts is niet in geding dat de bestaande geluidbelasting zodanig hoog is, dat maatregelen dienen te worden getroffen om geluidhinder vanwege de inrichting voor omwonenden te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Enerzijds betreffen dit geluidreducerende maatregelen aan het reizigersmaterieel in het kader van het Project Industrielawaai emplacementen (PRIL 1B), anderzijds in de inrichting te treffen maatregelen, zoals het voegloos maken van sporen en het plaatsen van geluidschermen.

Door appellante is een vergunning aangevraagd die ziet op verandering van de inrichting in die zin dat de rangeercapaciteit van de inrichting mede kan worden gebruikt voor het rangeren van 30 zogenoemde vreemde rijtuigbakken, wagons/treinstellen van derden die niet zijn voorzien van de hiervoor genoemde PRIL-maatregelen. Het standpunt van verweerder dat de aangevraagde situatie zal leiden tot overschrijding van het door hem vastgestelde referentieniveau van het omgevingsgeluid van 41 dB(A) in de nachtperiode met maximaal 25 dB(A) ter plaatse van het overgrote deel van de 279 omliggende woningen is door appellante niet bestreden. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is, als gevolg van het feit dat appellante, naar zij stelt, niet beschikt over voldoende financiële middelen om in de inrichting geluidreducerende maatregelen te treffen én door haar geen duidelijkheid kan worden verstrekt over de termijn en de wijze waarop deze maatregelen wél kunnen worden getroffen, onvoldoende zeker of en op welke termijn de geluidhinder vanwege de inrichting ter plaatse van de omliggende woningen kan worden voorkomen dan wel in voldoende mate kan worden beperkt. Niet aannemelijk is geworden dat verweerder daartoe binnen de grondslag van de aanvraag voorschriften aan de vergunning had kunnen verbinden of dit had kunnen bereiken door de vergunning voor het rangeren van de 30 zogenoemde vreemde rijtuigbakken te weigeren. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlening van de door appellante aangevraagde vergunning zich niet verdraagt met het belang van de bescherming van het milieu.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Zwinkels

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2003

309.