Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5570

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-02-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200206669/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 5
Vreemdelingenwet 2000 6
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/114 met annotatie van TS

Uitspraak

Raad

van State

200206669/1.

Datum uitspraak: 7 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

2. [vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 17 december 2002 in het geding tussen:

appellante sub 2

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2002 is appellante sub 2 (hierna: de vreemdeling) krachtens artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Dit besluit is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 17 december 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de opheffing van de maatregel bevolen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant sub 1 (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 17 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 23 december 2002, heeft de minister opnieuw hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 december 2002, heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 januari 2003 heeft de minister een reactie ingediend.

Bij brief van 7 januari 2003 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2003, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller en mr. M.B.J. Strooij, beiden advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Bij brief van 20 januari 2003 heeft de Afdeling de minister en de vreemdeling het proces-verbaal van de zitting van 17 december 2002 bij de rechtbank toegezonden en om een reactie gevraagd, welke reactie de minister bij brief van 28 januari 2003 en de vreemdeling bij brief van 21 januari 2003 heeft gegeven.

Met toestemming van partijen, gegeven in voormelde brieven, is van het beleggen van een nadere zitting afgezien. Vervolgens is het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 bevat het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel omschrijft een grief het onderdeel van de uitspraak waarmee de indiener zich niet kan verenigen alsmede de gronden waarop de indiener zich daarmee niet kan verenigen.

Ingevolge het derde lid wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien niet is voldaan aan het eerste of tweede lid, aan artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het hoger beroep. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling, aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, welke ingevolge het tweede lid kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.

Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met het eerste lid, voorzover thans van belang, verklaart de rechtbank het beroep, gericht tegen een vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 6 van de Vw 2000 gegrond, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van die maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Volgens paragraaf C3/12.13.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst na de aanmelding in het aanmeldcentrum Schiphol en indiening van de asielaanvraag of een maatregel op de voet van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast dan wel voortgezet dient te worden, bijvoorbeeld omdat

d. ten aanzien van de asielzoeker, zijn identiteit en nationaliteit, asielrelaas of overgelegde documenten nader onderzoek of analyse noodzakelijk is, teneinde te bepalen of de asielaanvraag dient te worden afgewezen;

h. sprake is van een evident geval waarin artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan de vreemdeling kan worden tegengeworpen.

2.2. Het op 17 december 2002 door de minister ingestelde hoger beroep bevat geen grieven in de zin van voormeld artikel 85, tweede lid, van de Vw 2000. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in het eerste lid van dat artikel. Dit hoger beroep is niet-ontvankelijk.

2.3. De stelling van de vreemdeling dat het hoger beroep van de minister van 23 december 2002 niet aangeeft tegen welke uitspraak het hoger beroep zich richt, wordt niet gevolgd. De minister geeft in dit hoger beroep aan dat hij op 17 december 2002 in hoger beroep is gekomen van de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Amsterdam, van 17 december 2002 (Awb 02/92110) en dat het onderhavige hoger-beroepschrift de grieven bevat tegen de inmiddels op schrift gestelde en als productie overgelegde uitspraak. Hiermee is voldoende duidelijk omschreven waartegen het hoger beroep zich richt.

2.4. De eerste grief van de minister richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat zijn stelling dat sprake is van een evident geval, als bedoeld in voormeld onderdeel h van paragraaf C3/12.13.3.1 van de Vc 2000, niet kan worden aanvaard. Volgens de minister heeft de rechtbank ten onrechte deze stelling niet terughoudend getoetst en miskent zij dat de gegrondverklaring van het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van haar asielaanvraag niet, althans niet zonder meer, betekent dat geen sprake meer is van een evident geval waarin artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen.

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat vanwege de gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, niet meer gesproken kan worden van een evident geval, als hiervoor bedoeld. Gelet op de beperkte beoordelingsruimte die het criterium in onderdeel h de minister laat, kan niet gesteld worden dat de rechtbank deze met voorgaande overweging onvoldoende heeft gerespecteerd. Het beroep van de minister op een eerdere uitspraak van de Afdeling ten aanzien van deze vreemdeling, waarin wel sprake was van een terughoudende toets terzake, kan niet slagen, daar in die zaak nog geen besluit was genomen op de asielaanvraag.

De grief faalt.

2.5. In zijn tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn argument, dat de maatregel kan worden toegepast dan wel voortgezet aangezien ten aanzien van de vreemdeling nader onderzoek noodzakelijk is als bedoeld in paragraaf C3/12.13.3.1, onder d, van de Vc 2000, niet kan worden aanvaard.

2.5.1. De minister betoogt terecht dat na de vernietiging van het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag opnieuw op die aanvraag beslist moet worden, waarvoor nader onderzoek noodzakelijk is. Daardoor is de grond vermeld in paragraaf C3/12.13.3.1, onder d, van de Vc 2000 weer van toepassing. De rechtbank heeft dit miskend.

De grief slaagt.

2.6. De derde grief van de minister richt zich tegen de overwegingen dat het grensbewakingsbelang niet opweegt tegen de belangen van de vreemdeling en dat de belangen van de vreemdeling met ingang van 17 december 2002 zwaarder dienen te wegen dan die van de minister.

2.6.1. Anders dan de minister betoogt, heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de door haar te verrichten toetsing. De minister miskent met zijn betoog dat artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 de rechtbank opdraagt alle betrokken belangen af te wegen.

De minister klaagt evenwel terecht dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangen van de vreemdeling zwaarder dienen te wegen dan die van de minister. Daarbij heeft de rechtbank de maatregel van 10 december 2002 ten onrechte aangemerkt als voortzetting van de maatregel van 26 september 2001 en heeft zij de periode van de uitleveringsdetentie betrokken bij de duur van de vrijheidsontneming zonder aan te geven welk gewicht en belang de afzonderlijke perioden van vrijheidsontneming hebben. Meer in het bijzonder is uit de overwegingen niet duidelijk of de rechtbank er acht op heeft geslagen dat vrijheidsontneming na toegangsweigering - anders dan ingeval van inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000 - in beginsel niet door wet of beleid in duur is gelimiteerd en dat de (periode van) uitleveringsdetentie wordt beheerst door andere voorschriften dan die welke bij of krachtens de Vw 2000 zijn gesteld.

Hoewel de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel voor de vreemdeling ingrijpend is en haar belangen zwaar wegen, dient, zolang het onderzoek niet is afgerond, het grensbewakingsbelang zwaarder te wegen dan het belang van de vreemdeling. Van bijzonder belang voor dit oordeel zijn zowel de aard van de verdenkingen die ten aanzien van de vreemdeling in het geding zijn en die betrekking hebben op haar hoedanigheid van PKK-strijdster, ten aanzien van wie naar het oordeel van de minister redenen zijn te veronderstellen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, als ook het feit dat de grensbewaking zich niet tot Nederland beperkt, maar het gehele Schengen-gebied bestrijkt. De rechtbank heeft dit miskend.

De grief slaagt.

2.7. In zijn vierde grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte in strijd met artikel 8:77, tweede lid, van de Awb in de uitspraak niet heeft vermeld welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geoordeeld.

2.7.1. De uitspraak van de rechtbank betreft een mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Awb. Artikel 8:77 van de Awb is daarop niet van toepassing.

De grief faalt.

2.8. In haar eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank slechts één van de door haar aangevoerde gronden kenbaar in de uitspraak heeft betrokken. Daarmee is de uitspraak in haar ogen onvoldoende gemotiveerd.

2.8.1. De grief faalt. De rechtbank kon volstaan met de behandeling van één van de aangevoerde gronden, nu deze reeds tot gegrondverklaring van het beroep leidde.

2.9. In de tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte geen overweging heeft gewijd aan haar standpunt dat de vrijheidsontnemende maatregel niet op 10 december 2002 had mogen worden opgelegd, vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting.

2.9.1. Die klacht is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het ermee beoogde resultaat. Het doel van de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000, is de vreemdeling te beletten zich toegang te verschaffen tot Nederland. Voor de oplegging van deze maatregel is geen zicht op uitzetting vereist.

2.10. Het hoger beroep van de minister is, gelet op het vorenstaande, gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit alsnog beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, in zoverre daarop niet is beslist.

2.11. Uit het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2002/31 volgt onder meer dat geen verdere toepassing van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 zal plaatsvinden, indien er geen zicht meer is op de omstandigheid dat de vreemdeling na afloop van zijn procedure kan voldoen aan de vertrekplicht, zoals genoemd in artikel 5 van de Vw 2000, en dat, indien een beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond wordt verklaard dan wel een verzoek om een voorlopige voorziening door de rechter is toegewezen, de minister zal bezien of dit aanleiding vormt de vrijheidsontnemende maatregel op te heffen.

De vreemdeling heeft terecht aangevoerd dat ingevolge artikel 5, derde lid, van de Vw 2000, door de gegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag geen vertrekplicht voor haar bestaat. Aan haar is daarentegen ook nog geen toegang verleend. De minister dient opnieuw te beslissen op de aanvraag, zodat de procedure nog niet is afgelopen en het ontbreken van de vertrekplicht niet in de weg staat aan de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel.

2.12. Nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden blijkens het hiervoor overwogene geen aanleiding geven voor het oordeel dat de minister de vrijheidsontnemende maatregel niet heeft kunnen opleggen en laten voortduren, zal de Afdeling het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van appellant sub 1 van 17 december 2002 niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van appellant sub 1 van 23 december 2002 gegrond;

III. verklaart het hoger beroep van appellante sub 2 ongegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam van 17 december 2002 in zaak nr. AWB 02/92110 VRONTN;

V. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Glerum

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2003

273-419.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,