Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5568

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-02-2003
Datum publicatie
12-03-2003
Zaaknummer
200206947/1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/113 met annotatie van PB
AB 2003, 369

Uitspraak

Raad

van State

200206947/1.

Datum uitspraak: 6 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdelinge],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 17 december 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2002 is appellante in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 december 2002, verzonden op 18 december 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 8 januari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, door de minister met het oog op de uitzetting in bewaring worden gesteld.

2.2. In grief 1 betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat zij gemeenschapsonderdaan is in de zin van artikel 1, onder e, van de Vw 2000 en het in paragraaf B10/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) weergegeven beleid op haar van toepassing is.

2.2.1. Volgens die paragraaf, voorzover thans van belang, pleegt een vreemdeling, die hier te lande is en stelt aanspraken op verblijf te ontlenen aan het EG-Verdrag, maar geen geldige identiteitskaart of een geldig paspoort heeft overgelegd, alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om dit document over te leggen. Hiervoor wordt een termijn gegund van twee weken.

2.2.2. Deze grief faalt. De rechtbank diende een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de bewaring, zoals die bij het bij haar bestreden besluit is opgelegd. De inbewaringstelling is gegrond op een proces-verbaal van onderzoek van 2 december 2002 van de technische recherche van de Korpsrecherche van de politie Hollands Midden, waarin is vermeld dat het door appellante gebruikte paspoort vervalst is, omdat een eerder aangebrachte pasfoto is vervangen door de thans aanwezige. De rechtbank diende te beoordelen of de minister in dat proces-verbaal met recht grond heeft gevonden om appellante in bewaring te stellen.

2.2.3. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister niet op dit op ambtseed opgemaakt proces-verbaal mocht afgaan, te minder nu appellante ter zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat de pasfoto in haar paspoort is vervangen. De minister heeft zich dus ten tijde van de inbewaringstelling terecht op het standpunt gesteld dat de identiteit, nationaliteit of verblijfsrechtelijke positie van appellante niet vast stond. De rechtbank heeft terecht, zij het niet op juiste gronden, de minister niet tegengeworpen geen toepassing te hebben gegeven aan het beleid, neergelegd in voormelde paragraaf van de Vc 2000, nu dat beleid niet ziet op een situatie, waarin de vreemdeling een vervalst paspoort heeft overgelegd.

2.3. In grief 2 wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestond voor toepassing van een lichter middel, aangezien appellant als gemeenschapsonderdaan slechts in vreemdelingenbewaring mag worden gesteld, indien sprake is van een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde.

2.3.1. Gelet op hetgeen is overwogen naar aanleiding van grief 1, treft deze grief evenmin doel. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet met een lichter middel dan bewaring behoorde te worden volstaan. Daarbij is van belang dat ten tijde van de inbewaringstelling niet vaststond dat appellante gemeenschapsonderdaan was.

2.4. In grief 3 klaagt appellante dat de minister verzuimd heeft om de rechtbank op 12 december 2002 te informeren dat het paspoort van appellante niet vervalst is. Als gevolg daarvan heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat appellante gebruik heeft gemaakt van een vervalst document en op grond daarvan beslist, aldus appellante.

2.4.1. Ingevolge artikel 6:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht doet het bestuursorgaan dat tot intrekking of wijziging van het bestreden besluit overgaat, daarvan onverwijld mededeling aan het orgaan, waarbij het bezwaar of beroep aanhangig is. Op 12 december 2002 is zijdens het Griekse consulaat aan de minister bericht dat het paspoort van appellante authentiek is. De minister heeft de bewaring op dezelfde dag opgeheven. Ingevolge voormelde bepaling had de minister de rechtbank hiervan onverwijld mededeling behoren te doen. De klacht is dan ook terecht voorgedragen, maar kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel.

De enkele omstandigheid dat het Griekse consulaat liet weten dat het paspoort authentiek is, leidt niet tot de conclusie dat de minister bij de inbewaringstelling niet van de juistheid van het proces-verbaal mocht uitgaan. De minister mocht appellante in bewaring stellen. Nu de minister haar vervolgens onmiddellijk heeft heengezonden, nadat hij had vernomen dat het een authentiek paspoort betrof, is er geen grond voor het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is geweest. Grief 3 faalt evenzeer.

2.5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom , Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Kallan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2003

15-432.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift

de Secretaris van de Raad van State

voor deze,