Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5168

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
05-03-2003
Zaaknummer
200106102/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 13.4
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 100K
Milieurecht Totaal 2003/5281
Milieurecht Totaal 2003/3971
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/2817
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/664
JB 2003/105 met annotatie van MP
JOM 2006/868
OGR-Updates.nl 1000503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200106102/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting "Stichting Gelderse milieufederatie", gevestigd te Arnhem, en andere, en

2. de vereniging "Vereniging Milieu-Offensief", gevestigd te Wageningen, en anderen,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2001, kenmerk MW99.23944, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Fibroned B.V.” voor een periode van tien jaar een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een verbrandingsinstallatie voor pluimveemest annex energiecentrale ten behoeve van de verbranding van pluimveemest en daarmee (qua chemische samenstelling) vergelijkbare schone biomassa op het perceel, kadastraal bekend gemeente Apeldoorn, sectie F, nummers 9828, 7298, 9830, 8956, 9223 en 9696. Dit besluit is op 25 oktober 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 5 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2001, en appellanten sub 2 bij brief van 5 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2001, beroep ingesteld. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 27 december 2001.

[Naam persoon] heeft zich blijkens zijn verklaring van 16 mei 2002 teruggetrokken als mede-appellant in het beroep van appellanten sub 2.

Bij brief van 12 april 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 22 juli 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en vergunninghoudster. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [deskundige], appellanten sub 2, vertegenwoordigd [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R.E.G. Lichtenberg, gemachtigde, en ing. L.E. Baukema, ing. C. Coenrady en P.M.G.M. van Riswijk, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigden], daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De stichting “Stichting Wakker Dier” heeft zich ter zitting teruggetrokken als mede-appellante in het beroep van appellanten sub 2.

2.2. Ter zitting hebben appellanten sub 2 de beroepsgronden dat de aanvraag gedeeltelijk in een vreemde taal is gesteld en dat onvoldoende stukken ter inzage zijn gelegd, ingetrokken.

2.3. Appellanten sub 1 betogen dat het milieueffectrapport (hierna: het MER) niet toereikend is, omdat de in het MER beschreven voorgenomen activiteit niet vergelijkbaar is met de vergunde activiteit, aangezien hogere emissies zijn vergund dan in het MER zijn vermeld en in het MER niet is ingegaan op verbranding van SRM-beendermeel. Verder voeren zij aan dat ten onrechte in het MER het meest milieuvriendelijke alternatief, zijnde bijstook van mest in een kolencentrale, niet is onderzocht en dat de Commissie-MER in haar advies heeft opgemerkt dat het meest milieuvriendelijke alternatief niet goed is uitgewerkt.

2.3.1. Ingevolge artikel 7.27, eerste lid, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag een besluit bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt, niet dan nadat toepassing is gegeven aan de artikelen 7.12 tot en met 7.26.

Ingevolge artikel 7.28, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, laat het bevoegd gezag een aanvraag om een besluit als bedoeld in artikel 7.27 buiten behandeling indien:

a. bij het indienen van de aanvraag geen milieueffectrapport is overgelegd;

b. ten aanzien van het overgelegde milieueffectrapport artikel 7.18, eerste lid, toepassing heeft gevonden.

Ingevolge artikel 7.18, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, deelt, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat een aan hem overgelegd milieueffectrapport, mede gelet op de daarvoor overeenkomstig artikel 7.15 gegeven richtlijnen, niet voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 7.10 en 7.11 gestelde regels, dat onder opgave van redenen uiterlijk zes weken na de in artikel 7.17, tweede lid, bedoelde datum mede aan degene die het rapport heeft gemaakt.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het bevoegd gezag, indien het van oordeel is dat het milieueffectrapport slechts tekortschiet op ondergeschikte punten, de mededeling, bedoeld in het eerste lid, achterwege laten.

Ingevolge artikel 7.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, bevat een milieueffectrapport ten minste:

b. een beschrijving van de voorgenomen activiteit en van de wijze waarop zij zal worden uitgevoerd, alsmede van de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen.

Ingevolge artikel 7.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, behoort tot de ingevolge het eerste lid, onder b, te beschrijven alternatieven in ieder geval het alternatief waarbij de nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, deze met gebruikmaking van de beste bestaande mogelijkheden ter bescherming van het milieu, zoveel mogelijk worden beperkt.

2.3.2. De Afdeling overweegt dat bij de beantwoording van de vraag of de aanvraag met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, van de Wet milieubeheer buiten behandeling moet worden gelaten, van belang is of de aangevraagde activiteit wordt gedekt door het MER. Indien dat het geval is, maar vergunning wordt verleend voor een activiteit die van de aanvraag en het MER afwijkt, kan dit niet leiden tot het oordeel dat de aanvraag met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, van de Wet milieubeheer buiten behandeling had moeten worden gelaten. Het betoog van appellanten sub 1 dat het MER niet toereikend is, omdat de daarin beschreven voorgenomen activiteit niet vergelijkbaar is met de vergunde activiteit, kan, nu dit ziet op de vergunning en niet op de aanvraag in verhouding tot het MER, reeds hierom geen doel treffen.

Voorts overweegt de Afdeling dat het door appellanten sub 1 als meest milieuvriendelijk genoemde alternatief, mede gelet op de richtlijnen voor de inhoud van het milieueffectrapport, niet kan worden aangemerkt als alternatief in de zin van artikel 7.10, derde lid, van de Wet milieubeheer, zodat er in zoverre geen grond is voor het oordeel dat verweerder de aanvraag met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer buiten behandeling had moeten laten.

Voorts stelt de Afdeling vast dat de Commissie-MER zich in haar advies over het MER op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een aantal onvolkomenheden in de in het MER gegeven beschrijving van het meest milieuvriendelijke alternatief, maar dat het geen essentiële tekortkomingen betreft. Gelet op artikel 7.18, tweede lid, van de Wet milieubeheer ziet de Afdeling onder deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat verweerder vanwege deze onvolkomenheden de aanvraag met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer buiten behandeling had moeten laten.

De desbetreffende beroepsgronden falen derhalve.

2.4. Appellanten sub 2 hebben als bezwaar van formele aard aangevoerd dat verweerder een aantal omwonenden in de directe omgeving van de inrichting niet op de hoogte heeft gesteld van de terinzagelegging van het ontwerp van het besluit. In dit verband betogen zij dat, in tegenstelling tot hetgeen verweerder in de considerans van het bestreden besluit heeft gesteld, niet alle omwonenden in een straal van één tot anderhalve kilometer rondom de inrichting zijn aangeschreven.

Ingevolge artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer dient van het ontwerp van het besluit mededeling te worden gedaan door een niet op naam gestelde kennisgeving aan de gebruikers van gebouwde eigendommen in de directe omgeving van de inrichting, voorzover zodanige kennisgeving kan dienen om het beoogde doel te bereiken.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder beoogd binnen een straal van 450 meter rondom de inrichting gebruikers van gebouwde eigendommen in kennis te stellen van het ontwerp van het besluit. Uit de stukken, waaronder het geuremissieonderzoek van bureau Blauw van april 2001, is evenwel gebleken dat bij een vergelijkbare inrichting als de onderhavige in de worst-case situatie op ongeveer 1.250 meter van de inrichting, binnen welke afstand overigens in het onderhavige geval een woonwijk is gelegen, geur waarneembaar is. Gelet op de aard, de omvang en de te verwachten nadelige milieugevolgen vanwege de inrichting heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling aldus niet op toereikende wijze mededeling gedaan van het ontwerp van het besluit in de directe omgeving van de inrichting. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer.

2.5. Gelet op bovengenoemd gebrek in de voorbereiding van het bestreden besluit zijn de beroepen van appellanten sub 1 en appellanten sub 2 gegrond en dient het besluit te worden vernietigd.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

2.7. Met het oog op toekomstige besluitvorming ziet de Afdeling evenwel aanleiding de volgende door appellanten sub 1 en appellanten sub 2 aangevoerde beroepsgronden te behandelen.

2.8. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.9. Appellanten sub 1 betogen dat onduidelijk is welke stoffen binnen de inrichting mogen worden geaccepteerd. In bijlage II van de vergunning wordt volgens appellanten sub 1 ten onrechte ook het verbranden van SRM-beendermeel toegestaan. Voorts keren zij zich tegen voorschrift 4.1a, waarin de procedure is beschreven voor nieuw te accepteren afvalstoffen. Naar hun mening biedt de te volgen procedure voor het accepteren van nieuwe afvalstoffen onvoldoende rechtsbescherming.

2.9.1. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 4.1 is aangegeven dat binnen de inrichting uitsluitend pluimveemest of andere schone biomassa met een vergelijkbare chemische samenstelling als pluimveemest ter verwerking mag worden geaccepteerd. Verder worden in bijlage II van de vergunning de te accepteren brandstofstromen opgesomd. In deze bijlage is onder meer “beendermeel (SRM-meel)” vermeld.

In de aanvraag is vermeld dat als brandstof voornamelijk pluimveemest wordt voorzien. Verder kan de installatie volgens de aanvraag een brede range van andere soorten schone biomassa verwerken. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 4.1.2.2 van het MER, waarin is vermeld dat de installatie andere soorten schone biomassa kan verwerken, zoals cacaodoppen en –schroot, koffiedik, houtsnippers, stro, hooi, tabaksafval en dergelijke. Het in bijlage II bij het bestreden besluit genoemde SRM-beendermeel wordt in paragraaf 4.1.2.2 van het MER niet genoemd.

De Afdeling constateert allereerst dat het verbranden van SRM-beendermeel niet expliciet is aangevraagd. Voorts moet, mede gelet op het deskundigenbericht, worden geoordeeld dat SRM-beendermeel niet kan worden aangemerkt als “andere soort schone biomassa zoals cacaodoppen en –schroot, koffiedik, houtsnippers, stro, hooi, tabaksafval en dergelijke”. Gelet hierop heeft verweerder, nog daargelaten of SRM-beendermeel als schone biomassa kan worden gekwalificeerd, door vergunning te verlenen voor de acceptatie en verwerking van SRM-beendermeel de grondslag van de aanvraag verlaten, hetgeen in strijd is met het stelsel van de Wet milieubeheer. Reeds hierom behoeft het betoog van appellanten sub 2, inhoudende dat het verbranden van beendermeel in de onderhavige inrichting in strijd is met de Destructiewet, geen bespreking.

In voorschrift 4.1a is, voorzover hier van belang, bepaald dat voor een te accepteren (nieuwe) brandstofstroom die niet staat genoemd in bijlage II, schriftelijke goedkeuring dient te worden gevraagd aan het college van gedeputeerde staten; indien het college van gedeputeerde staten niet binnen zes weken na ontvangst van een verzoek reageert, dan heeft die brandstofstroom zijn goedkeuring. De Afdeling overweegt dat het voorschrift de mogelijkheid biedt dat goedkeuring wordt verleend zonder dat een inhoudelijke beoordeling van de gevolgen voor het milieu heeft plaatsgevonden. Het bestreden besluit is aldus, wat voorschrift 4.1a betreft, in strijd met het systeem van de Wet milieubeheer. Voorts acht de Afdeling het bestreden besluit in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, nu een en ander voor derden niet kenbaar zou zijn.

2.10. Appellanten sub 1 en appellanten sub 2 voeren aan dat de doelmatigheid van de verbranding van kippenmest onvoldoende is onderzocht. Zij betogen dat het bijstoken van kippenmest in een kolencentrale doelmatiger is. Ook de verbranding van de overige biomassa is huns inziens ondoelmatig. Naar hun mening had verweerder per deelstroom moeten nagaan of doelmatiger alternatieven dan verbranden voorhanden waren.

2.10.1. In artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is bepaald dat het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, betrekt.

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van afvalstoffen.

In artikel 22.1, vijfde lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat hoofdstuk 8 van deze wet niet van toepassing is op inrichtingen waarin van buiten de inrichting afkomstige dierlijke meststoffen worden bewaard, bewerkt, verwerkt of vernietigd, voorzover het betreft de doelmatige verwijdering van die stoffen.

De Afdeling overweegt dat de vergunning ziet op het verbranden van 300.000 ton pluimveemest en 60.000 ton overige biomassa, zoals weergegeven in bijlage II van de vergunning. Gelet op het bepaalde in artikel 22.1, vijfde lid, van de Wet milieubeheer, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de doelmatigheid wat betreft het verwerken van de pluimveemest niet aan de orde kan komen. De beroepsgrond treft in zoverre geen doel.

De overige soorten biomassa die in Bijlage II zijn genoemd, zijn niet aan te merken als dierlijke meststoffen in de zin van de Meststoffenwet. Uit het bestreden besluit, waarvan hoofdstuk 6 van de considerans betrekking heeft op doelmatigheid, blijkt niet dat verweerder bij het nemen daarvan de gevolgen die verband houden met een doelmatig beheer van deze afvalstoffen heeft betrokken. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook in strijd met artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer.

2.11. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de in voorschrift 8.29 gestelde emissiegrenswaarden voor schadelijke stoffen. Volgens appellanten sub 1 is met name de uitstoot van dioxinen en de stoffen kwik, cadmium en arseen te hoog. Volgens appellanten sub 2 is onvoldoende rekening gehouden met de uitstoot van zink en is de uitstoot van koolmonoxide onaanvaardbaar hoog. Appellanten sub 2 voeren voorts aan dat de te verwachten ammoniakemissies als gevolg van het in werking zijn van de inrichting tot verzuring van een op 300 meter van de inrichting gelegen bos zal leiden. Verder betogen appellanten dat de vergunde grenswaarden ten onrechte ruimer zijn gesteld dan de in de aanvraag beschreven te verwachten emissies van schadelijke stoffen. Tot slot stellen appellanten dat met het in de aanvraag beschreven rookgasreinigingsfilter de uitstoot van schadelijke stoffen onvoldoende wordt beperkt. Zij zijn van mening dat met toepassing van een actief koolfilter een grotere beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen kan worden bereikt. De stelling van verweerder dat het voorschrijven van een rookgasreiniger de voorkeur verdient omdat de filter- en vliegassen, na het verlenen van een uitzonderingsverklaring krachtens de Regeling aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, kunnen worden afgezet in de kunstmestindustrie, is naar de mening van appellanten sub 1 onjuist. Volgens hen dienen de overgebleven assen te allen tijde als gevaarlijk afval te worden aangemerkt en is het allerminst zeker of een dergelijke verklaring kan worden verleend.

2.11.1. Ingevolge voorschrift 8.29 mag de uitworp van de verbrandingsinstallatie per component niet meer bedragen dan:

a. totaal stof 5 mg/m3

b. gasvormige anorganische chloorverbindingen 10 mg/m3

c. gasvormige anorganische fluorwaterstofverbindingen 1 mg/m3

d. koolmonoxide 50 mg/m3

(tijdens de eerste 18 maanden) 150 mg/m3

e. gasvormige organische verbindingen 10 mg/m3

f. zwaveldioxiden 40 mg/m3

g. stikstofoxiden 70 mg/m3

h. zware metalen 1 mg/m3

i. cadmium 0,05 mg/m3

j. kwik 0,05 mg/m3

k. PCDD’s en PCDF’s 0,1 ng I-TEQ/m3

l. ammoniak 5 mg/m3

2.11.2. Verweerder betoogt dat de gestelde grenswaarden zijn gebaseerd op het gestelde in de bijzondere regeling voor mestverwerkende bedrijven in de Nederlandse Emissie Richtlijnen Lucht (hierna: de NeR), en, voorzover voornoemde bijzondere regeling daarnaar verwijst, op emissie-eisen zoals gesteld in het Besluit luchtemissies afvalverbranding (hierna: het BLA). Naar zijn mening kan hiermee voldoende waarborg worden geboden tegen nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van schadelijke stoffen.

2.11.3. Verweerder heeft voor de beoordeling van de uitstoot van schadelijke stoffen de bijzondere regeling A1 voor mestverwerkende bedrijven in paragraaf 3.3 van de NeR tot uitgangspunt genomen. Hierin zijn voor ammoniak, zwaveloxiden, koolmonoxide en stof emissiegrenswaarden aanbevolen. Voorts wordt hierin aanbevolen dat indien de mest of fracties daarvan worden verbrand in een daartoe geëigende installatie de emissie-eisen gelden conform de eisen in het BLA. Volgens de regeling gelden, voorzover emissies in deze regeling niet uitdrukkelijk zijn verbijzonderd de algemene bepalingen van de NeR.

De Afdeling constateert dat in de bijzondere regeling wordt aanbevolen de emissie-eisen van het BLA te hanteren voor inrichtingen waar mest of fracties daarvan worden verbrand in een daartoe geëigende installatie (hierna: mestverbrandingsinstallaties).

Het BLA bevat eisen voor inrichtingen die in hoofdzaak zijn bestemd voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen of van afvalstoffen afkomstig van bedrijven, die tezamen met huishoudelijke afvalstoffen worden verbrand.

De Afdeling overweegt voorts dat in de nota van toelichting bij het BLA is gesteld dat de emissies van PCDD’s, PCDF’s en diverse zware metalen, zoals cadmium, kwik en lood, in de directe omgeving van de inrichting een belangrijke bijdrage leveren aan de achtergrondconcentraties van deze stoffen in de lucht en – ten gevolge van droge en natte deposities - aan de accumulatie hiervan in de bodem. In voorschrift 1, aanhef en onder d, van Bijlage A van het BLA, voorzover hier van belang, is bepaald dat de inrichting dient te worden voorzien van een schoorsteen, die zo hoog is dat een voldoende verspreiding van de uitworp met de rookgassen gewaarborgd is. De Afdeling leidt hieruit af dat het BLA als geheel mede ziet op de bescherming van het milieu op leefniveau in de directe omgeving van inrichtingen als bedoeld in het BLA.

Niet is gebleken dat in het kader van de totstandkoming van voornoemde bijzondere regeling is beoordeeld of het BLA zich leent voor overeenkomstige toepassing op mestverbrandingsinstallaties, en, indien dit het geval is, of het hanteren van uitsluitend de in het BLA gestelde emissie-eisen leidt tot voldoende beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu in de directe omgeving van de inrichting. Hierdoor is onvoldoende duidelijk of met de verwijzing in de bijzondere regeling naar de emissie-eisen uit het BLA de gevolgen voor het milieu, waaronder die in de directe omgeving van de inrichting, ten gevolge van de uitstoot van schadelijke stoffen door mestverbrandingsinstallaties voldoende worden beperkt.

Nu verweerder voornoemde bijzondere regeling tot uitgangspunt heeft genomen en niet afdoende heeft onderzocht of en in hoeverre aanvullende maatregelen dienden te worden getroffen ter bescherming van het milieu, waaronder de directe omgeving van de inrichting, is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht tot stand gekomen.

2.12. Appellanten sub 2 kunnen zich niet verenigen met het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.7. Hierin is bepaald dat, voorzover hier van belang, binnen twaalf maanden vanaf het moment waarop de installatie in proefbedrijf is, eenmalig een geuronderzoek moet worden uitgevoerd naar de daadwerkelijk optredende geurbelasting, waarbij wordt onderzocht of aan de in de voorschriften 5.1, 5.2 en 5.3 gestelde emissiegrenswaarden kan worden voldaan. De maximale uitvoeringstermijn voor de uitvoering van het geuronderzoek bedraagt twaalf maanden. Naar de mening van appellanten sub 2 kan hierdoor worden bewerkstelligd dat de in voorschrift 5.3 gestelde grenswaarde wordt overtreden.

Verweerder heeft ter zitting erkend dat voorschrift 5.7 ten onrechte mede betrekking heeft op voorschrift 5.3. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

2.13. Appellanten sub 1 voeren aan dat in voorschrift 8.41 ten onrechte niet is verwezen naar de NeR met betrekking tot het uitvoeren van controles op de naleving van de emissiegrenswaarden.

Ingevolge voorschrift 8.41 dienen de in de voorschriften 8.32, 8.34, 8.35 en 8.36 bedoelde emissiemetingen overeenkomstig de algemeen aanvaarde standaardmethoden of gelijkwaardige meetmethoden te geschieden. Bij het stellen van de emissiegrenswaarden heeft verweerder de NeR tot uitgangspunt genomen. Nu evenwel in voorschrift 8.41 niet eenduidig is voorgeschreven dat bij de desbetreffende metingen de in de NeR beschreven meetmethode moet worden gebruikt, is het naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende zeker op welke wijze moet worden beoordeeld of aan de gestelde normen wordt voldaan. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre niet met het algemene rechtsbeginsel der rechtszekerheid.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellanten sub 1 en appellanten sub 2, gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 16 oktober 2001, kenmerk MW99.23944;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 599,32 en de door appellanten sub 2 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 voor appellanten sub 1 en € 218,00 voor appellanten sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003

271-361.