Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
05-03-2003
Zaaknummer
200202605/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/4033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202605/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2001, kenmerk RO/MH/BRS/20010052, voorzover in deze procedure van belang, heeft verweerder aan appellante een aantal lasten onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens het veranderen van een kleiduivenschietbaan dan wel de werking daarvan zonder daartoe krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning. De dwangsommen, voorzover hier van belang, zijn vastgesteld op:

a. ƒ 250,00 (€ 113,45) per week dat vijf geluiddempende schuttingen, conform de tekening behorende bij het besluit van 30 november 1981, niet zijn geplaatst, met een maximum van ƒ 2.500,00 (€ 1.134,50);

b. ƒ 250,00 (€ 113,45) per week dat de rabbitbaan niet buiten gebruik is gesteld door middel van het verwijderen van de werpmachine, met een maximum van ƒ 2.500,00 (€ 1.134,50);

c. ƒ 250,00 (€ 113,45) per week dat de betonnen standplaats van de rabbitbaan niet is verwijderd, met een maximum van ƒ 2.500,00 (€ 1.134,50);

d. ƒ 100,00 (€ 45,38) per keer dat de parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting niet buiten gebruik zijn gesteld door het gesloten houden van de slagboom die toegang geeft tot dit terrein, met een maximum van ƒ 1.000,00 (€ 453,80).

Daarbij zijn de volgende begunstigingstermijnen gesteld:

voor onderdeel a vier maanden, voor de onderdelen b en d drie weken

en voor onderdeel c zes weken.

Bij besluit van 3 april 2002, kenmerk RO/MB/BRS/20020009, verzonden op 4 april 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat voor onderdeel a de begunstigingstermijn is gesteld op 1 jaar en voor de onderdelen b, c en d de begunstigingstermijn is gesteld op zes maanden.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 juni 2002.

Bij brief van 19 juni 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.R. van Tilborg en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. P.P.G. Wintjes en A.A.H. Dijkema, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellante haar beroep ingetrokken wat de lasten onder dwangsom inzake het buiten gebruik stellen van de rabbitbaan en het plaatsen van de geluidschermen betreft.

2.2. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

2.3. Appellante voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met de rechtszekerheid, omdat hierin het adres van de inrichting niet is vermeld.

De Afdeling stelt vast dat verweerder ter motivering van het bestreden besluit heeft verwezen naar het advies van de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van 27 februari 2002, waarin het adres en de kadastrale ligging van de inrichting zijn vermeld. Naar het oordeel van de Afdeling is derhalve voldoende duidelijk op welke inrichting het bestreden besluit betrekking heeft. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De beroepsgrond treft reeds daarom geen doel.

2.4. Appellante voert verder aan dat de betonnen plaat voor de rabbitbaan waarop de schutters staan, al in 1963 is aangelegd. Zij stelt dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen gebruik heeft kunnen maken omdat in al die jaren dat deze plaat aanwezig is nooit handhavend is opgetreden. Voorts betoogt zij dat deze plaat geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt en dat deze verandering is gemeld.

2.4.1. Verweerder stelt dat de standplaats dichter bij een geluidgevoelig object ligt dan de standplaatsen van de trapbaan, zodat de geluidbelasting ten opzichte van dit geluidgevoelige object anders is dan conform de vergunning is toegestaan. Verder betoogt hij dat de ligging van deze standplaats gevolgen zou kunnen hebben voor de omvang dan wel de situering van de onveilige zone.

2.4.2. Op grond van de stukken, waaronder de tekening behorende bij het besluit van 25 augustus 1980, en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat de betonnen standplaats voor de rabbitbaan niet is vergund. Voorts was ten tijde van het besluit van 13 september 2001 geen besluit tot het accepteren van een melding van deze verandering van de inrichting in werking. Verweerder was derhalve in zoverre bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

2.4.3. De Afdeling overweegt dat, nu tevens een last onder dwangsom is opgelegd die strekt tot het buiten gebruik stellen van de rabbitbaan, verweerder ervan had mogen uitgaan dat de betonnen standplaats, waarop de schutters voor de rabbitbaan staan, niet zou worden gebruikt. Niet is gebleken dat de betonnen standplaats op zichzelf nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. Reeds hierom ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat verweerder in zoverre niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen gebruik heeft kunnen maken. Het bestreden besluit verdraagt zich in zoverre dan ook niet met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Appellante stelt dat op de open plek bij het clubhuis sinds jaren auto’s worden geparkeerd, hetgeen naar haar mening indertijd niet expliciet hoefde te worden aangevraagd, en dat deze open plek is aangegeven op de tekening behorende bij het besluit van 25 augustus 1980. Voorts betoogt zij dat door het afsluiten van de parkeergelegenheid in haar inrichting bezoekers van de inrichting hun auto’s zullen gaan parkeren aan de openbare weg, wat tot verkeersonveilige situaties kan leiden. Verder voert appellante aan dat in het grondwaterbeschermingsgebied, waarin de inrichting is gelegen, overal wordt geparkeerd zonder dat aldaar bodembeschermende maatregelen worden getroffen, en dat het grondwater op 80 meter diepte zit.

2.5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de inrichting is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied en dat ter bescherming van dit gebied en het grondwater maatregelen moeten worden getroffen.

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat op de tekening behorende bij het besluit van 25 augustus 1980 geen parkeerplaatsen zijn ingetekend. Naar het oordeel van de Afdeling moet het er echter voor worden gehouden dat het parkeren van auto’s op de parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting, als inherent aan de activiteiten in de inrichting, zonder uitdrukkelijke vermelding in de aanvraag om de vergunning van 25 augustus 1980 deel uitmaakte van de representatieve bedrijfssituatie, die bij het besluit van 25 augustus 1980 is vergund. Gelet hierop was verweerder in zoverre niet bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom. Het bestreden besluit is, voorzover daarbij een last onder dwangsom is opgelegd die strekt tot het buiten gebruik stellen van de parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting, in strijd met artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet in samenhang met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Afdeling merkt nog op dat verweerder desgewenst langs de weg van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer het aanbrengen van bodembeschermende voorzieningen kan verlangen, mocht dat thans nodig worden geacht in het belang van de bescherming van het milieu.

2.5.3. Gelet op het vorenstaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij lasten onder dwangsom zijn opgelegd die strekken tot het verwijderen van de betonnen standplaats van de rabbitbaan en tot het buiten gebruik stellen van de parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 3 april 2002, kenmerk RO/MB/BRS/20020009, voorzover daarbij lasten onder dwangsom zijn opgelegd die strekken tot het verwijderen van de betonnen standplaats van de rabbitbaan en tot het buiten gebruik stellen van de parkeerplaatsen op het terrein van de inrichting;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 691,07, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Groesbeek te worden betaald aan appellante;

V. gelast dat de gemeente Groesbeek aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003

271-372.