Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
05-03-2003
Zaaknummer
200200439/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200200439/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 11 december 2001 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dat tot 3 april 2000 luidde, aan IBC Vastgoed B.V. (hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor de bouw van commerciële ruimten en 35 appartementen op een terrein, gelegen aan de Waalreseweg 6 t/m 12 (even) en het Prinses Irene Brigadeplein te Valkenswaard, kadastraal bekend gemeente Valkenswaard, sectie E, nummer 632, 633, 879 en 3756.

Bij besluit van 29 november 2000 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2001, verzonden op 13 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 18 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 april 2002 heeft vergunninghouder een memorie ingediend.

Bij brief van 26 april 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2002, waar [appellanten] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. G.A. Janssen, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. R. Stiekema, advocaat te Eindhoven, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het hoger beroep is in de eerste plaats gericht tegen de bepaling in de aangevallen uitspraak dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2000 in stand blijven.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Centrum-deelgebied I” rusten op de betrokken percelen de bestemmingen “Woningen”, “Woningen waarin detailhandel is toegestaan”, “Niet-industrieel bedrijfsterrein”, “Tuin I” en “Tuin II”. Vast staat dat het bouwplan hiermee niet in overeenstemming is, onder meer omdat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de maximale bouwhoogte. Ten einde de realisering ervan niettemin mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan de zogenoemde anticipatieprocedure.

2.3. Gelet op de bestaande bouwmogelijkheden enerzijds en met name de omvang van het bouwplan anderzijds, is sprake is van een aanmerkelijke inbreuk op het geldende planologische regime, zodat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de verklaringen van geen bezwaar van 30 maart 2000 onbevoegd in mandaat zijn afgegeven. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de brief van 4 september 2001, strekkende tot bekrachtiging door gedeputeerde staten van Noord-Brabant van de afgegeven verklaringen van geen bezwaar, aanleiding vormt om de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2000 in stand te laten, indien overigens geen grond voor vernietiging aanwezig is. Met betrekking tot dit laatste overweegt de Afdeling als volgt.

2.4. Het betoog van appellanten dat het college ten onrechte niet op de voet van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de zogeheten Inspraakverordening inspraak heeft verleend faalt. Met het college gaat de Afdeling ervan uit dat deze bepaling niet ziet op besluiten tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning. Daarbij wordt opgemerkt dat appellanten wel op de voet van artikel 19a, van de WRO, zoals dat tot 3 april 2000 luidde, in de gelegenheid zijn gesteld om tegen het bouwplan hun bedenkingen in te dienen.

2.5. De beslissing om al dan niet te anticiperen dient te berusten op een afweging van het belang van onmiddellijke uitvoering van het bouwplan tegen het belang dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht. Daarbij is de te verlangen mate van spoedeisendheid afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het geldende planologische regime alsmede van de uitstraling die het project op de omgeving heeft. Naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie ernstiger is, dienen zwaardere eisen te worden gesteld aan de mate van spoedeisendheid van het bouwplan en aan het planologisch kader waarop wordt vooruitgelopen.

2.6. Het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat niet is gebleken van voldoende dringende redenen om toepassing van de anticipatieprocedure te rechtvaardigen slaagt. Het college heeft in het besluit van 29 november 2000 overwogen dat de urgentie van het bouwplan is gelegen in het feit dat de hoek Waalreseweg – Prinses Irene Brigadeplein al jaren een volwaardige stedenbouwkundige oplossing nodig heeft. Door de realisering van het bouwplan krijgt dit plein een definitieve vorm en komt er een aantrekkelijke voetgangersroute naar het winkelcentrum. Bovendien is er een grote behoefte aan woonruimte in de directe omgeving van het centrum, aldus het college. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deze stellingen echter onvoldoende onderbouwd. Zo is in het besluit van 29 november 2000 niet duidelijk aangegeven waarom de reeds gedurende enige tijd bestaande situatie op het plein dringend wijziging behoefde en evenmin uit welke min of meer recente gegevens het bestaan en de omvang van genoemde behoefte aan woonruimte kan worden afgeleid.

2.7. Het betoog van appellanten dat voorts geen sprake is van een voldoende uitgewerkt planologisch kader om verantwoord toepassing te geven aan de anticipatieprocedure slaagt evenzeer. In het besluit van 29 november 2000 is in dit verband verwezen naar de door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Valkenswaard Centrum 1990 en de Ontwikkelingsschets Centrumgebied 1993. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze stukken evenwel onvoldoende toegespitst op de betrokken locatie om ze bij een bouwplan met deze omvang als toereikend planologisch kader aan te kunnen merken. Daarbij wordt overwogen dat daarnaast niet is gebleken dat het voorbereidingsbesluit is genomen met het oog op de realisering van het onderhavige bouwplan en dat ten tijde van het bestreden besluit ook geen (voor)ontwerp bestemmingsplan dan wel een advies van de PPC voorhanden was.

2.8. Gelet op het vorenstaande, moet worden geoordeeld dat het besluit van 29 november 2000 niet berust op een deugdelijke motivering en derhalve in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

2.9. Met betrekking tot het betoog van appellanten dat het college dient te worden veroordeeld tot vergoeding van de door hen geleden schade, overweegt de Afdeling dat zij de uitspraak van de rechtbank aldus leest dat daarbij het door appellanten bij de rechtbank op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht ingediende verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Verweerder dient thans met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling een nieuw besluit te nemen. Niet zeker is hoe dit besluit zal luiden. Het is derhalve thans niet mogelijk om vast te stellen of en, zo ja in welke omvang schade is geleden ten gevolge van het besluit van 29 november 2000. Eerst aan de hand van het nieuwe besluit zou hierover uitsluitsel kunnen worden verkregen. Het verzoek om schadevergoeding is derhalve terecht afgewezen.

2.10. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank van 11 december 2001 dient te worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2000 in stand blijven.

2.11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 11 december 2001, AWB 01/61, voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2000 in stand blijven;

III. gelast dat de gemeente Valkenswaard aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Boer

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003

201.