Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5131

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
05-03-2003
Zaaknummer
200205244/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205244/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2003.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard het wijzigingsplan "Bestemmingsplan Landelijk gebied Poortugaal, wijzigingsplan brandweerkazerne" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 27 augustus 2002, no. DRM/ARB/02/8445A, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 30 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2002, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. Sprietsma, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, vertegenwoordigd door D.H. van de Rijdt en J. Brouwer, ambtenaren der gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op een wijziging van de bestemming “Agrarisch gebied met beperkte bebouwing” van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied Poortugaal” in de bestemming “Maatschappelijke doeleinden (M)”. De wijziging beoogt de bouw van een brandweerkazerne aan de Schroeder van der Kolklaan te Poortugaal mogelijk te maken.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd. Zij betwijfelen de financiële haalbaarheid van de brandweerkazerne. Verder vrezen zij bij bebouwing van de in het geding zijnde gronden voor een wezenlijke aantasting van het landelijk gebied met precedentwerking. Tot slot stellen appellanten dat onvoldoende rekening is gehouden met de veiligheidsvoorschriften ten behoeve van de ter plaatse aanwezige pijpleidingen.

2.4. Het college van burgemeester en wethouders is van mening dat, gelet op de in het plan opgenomen bouwvoorschriften, niet behoeft te worden gevreesd voor een onaanvaardbare aantasting van het landelijke gebied en dat voorts bij de uitvoering veel aandacht zal worden verleend aan een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij heeft ingestemd met de door het college van burgemeester en wethouders gegeven weerlegging van de naar voren gebrachte bedenkingen.

2.6. Blijkens de plantoelichting heeft de gemeenteraad van Albrandswaard ter bekostiging van de bouw van de nieuwe brandweerkazerne kredieten beschikbaar gesteld. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze kredieten niet toereikend zullen zijn. Ook overigens ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de beoogde brandweerkazerne in financieel opzicht niet haalbaar zal zijn.

2.7. Aan de gronden is overwegend de bestemming “Maatschappelijke doeleinden (M)” toegekend. Ingevolge artikel 11A, lid A, onder 1.a., van de planvoorschriften, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen ten behoeve van de brandweer, politie en/of gemeentelijke beheers- en onderhoudsdiensten met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken. Ingevolge lid BI., aanhef en onder a en b, in samenhang met de plankaart is het bebouwingsvlak 1800 m2 en bedraagt de maximale bouwhoogte 8 meter. Blijkens de plantoelichting heeft het plan tot doel de bouw van een brandweerkazerne. De gronden aan de westzijde van het bebouwingsvlak hebben de aanduiding “Afschermende beplanting”. Ingevolge artikel 11A, lid A, onder 1.d. zijn deze gronden bestemd voor afschermende beplanting.

Niet in geding is dat de bouw van de brandweerkazerne op thans onbebouwde gronden tot een aantasting van het landelijk gebied leidt. De Afdeling ziet echter geen reden om aan te nemen dat deze aantasting zodanig zal zijn dat verweerder daarom in redelijkheid niet meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de brandweerkazerne dan aan het belang van het landelijk gebied. Hierbij neemt zij in aanmerking dat het plan door middel van afschermende beplanting aan de westzijde zorg draagt voor een landschappelijke inpassing van de kazerne. Voorts dient betekenis te worden toegekend aan de afstand tussen de in het geding zijnde gronden en de woningen van appellanten, te weten meer dan 170 meter. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat de bouw van de brandweerkazerne niet in de weg staat aan de realisering van de verbindingszone tussen de Zwaardijk en de Oude Maas waarop volgens het bestemmingsplan het gemeentelijk beleid is gericht. Na de bouw zal immers voor de verbindingszone een bredere strook met gronden overblijven dan de vereiste 50 meter brede strook. Ook hebben appellanten niet aangetoond dat de in het geding zijnde gronden en hun omgeving, anders dan volgens de in opdracht van verweerder uitgevoerde inventarisatie, deel uit maken van een foerageergebied voor beschermde vogelsoorten zoals de door appellanten genoemde ijsvogel en torenvalk.

Voorzover appellanten met betrekking tot de aantasting van het landelijk gebied vrezen voor precedentwerking is relevant dat de bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan waarvan het gemeentebestuur in dit geval gebruik heeft gemaakt, slechts beperkt is tot de in het geding zijnde gronden. Voor de overige gronden geldt ingevolge het bestemmingsplan de planologische regeling behorende bij de agrarische bestemming. Gelet hierop behoeft met de thans voorliggende wijziging niet te worden gevreesd voor precedentwerking.

Ten slotte overweegt de Afdeling dat zich onder de in het geding zijnde gronden waterleidingen en brandstoftransportleidingen bevinden. De beheerders van deze leidingen hebben bij de voorbereiding van de wijziging aangegeven geen aanleiding te zien zich tegen de komst van de brandweerkazerne te verzetten. Hiertoe achten zij van belang het geringe aantal aanwezige personen in de kazerne gedurende de dag en het in acht nemen van de minimale bebouwingsafstand ten opzichte van de leidingen. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen.

2.8. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003.

176-290.