Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
05-03-2003
Zaaknummer
200203738/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203738/1.

Datum uitspraak: 5 maart 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 21 juni 2002 in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Groningen

en

de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 1999 heeft de teammanager van Laser namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de Staatssecretaris) een aanvraag van appellant om een tegemoetkoming krachtens de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (hierna: de WTS2-regeling), afgewezen.

Bij besluit van 23 september 1999 heeft de regiomanager van Laser namens de Staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 11 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 september 2002 heeft de Staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 januari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H. van der Meij, ambtenaar der gemeente, en de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G. Sebus, werkzaam bij Laser, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen (hierna: de Wet) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder gedupeerde verstaan degene die schade heeft geleden dan wel kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet, voor zover hier van belang, heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in de evacuatiekosten per risico-adres, voor zover de schade die hij heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van een ramp waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard.

2.2. In dit geding moet de vraag worden beantwoord of appellant als gedupeerde in de zin van de Wet moet worden aangemerkt.

Onbestreden is dat de Hulpverleningsdienst van de gemeente Groningen in overleg met de directies van drie verzorgingstehuizen de bewoners van die tehuizen, gelegen in het in de WTS2-regeling aangewezen schadegebied, heeft geëvacueerd in verband met dreigende schade als gevolg van de regenval op 27 en 28 oktober 1998. Evenmin bestreden is dat genoemde dienst de daarmee gemoeide kosten heeft gemaakt en daarvoor de in geding zijnde aanvraag om een tegemoetkoming is ingediend.

2.3. Het enkele feit dat appellant op goede gronden de evacuatiekosten heeft gemaakt, betekent echter niet dat hij gedupeerde is in de zin van de Wet. In een geval als het onderhavige zouden slechts de verzorgingshuizen als gedupeerde kunnen worden aangemerkt indien appellant de evacuatiekosten bij hen in rekening zou hebben gebracht of brengen.

Voor de door appellant bepleite interpretatie van het begrip gedupeerde biedt de Wet naar het oordeel van de Afdeling geen ruimte. Voor dit oordeel vindt zij steun in de Memorie van Toelichting bij artikel 4, aanhef en onder g (thans h), 2°, van de Wet (TK 1996-1997, 25 159, nr. 3, blz. 13). Hieruit blijkt dat de wetgever een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de gedupeerde in de zin van de Wet, en anderzijds de door deze voor hulpverlening ingeschakelde externen.

De rechtbank is dan ook tot het juiste oordeel gekomen dat appellant niet kan worden aangemerkt als gedupeerde in de zin van artikel 1, aanhef en onder e, van de Wet.

2.4. Voor zover appellant heeft betoogd dat uit de overgelegde door de directies van de tehuizen opgestelde verklaringen en machtigingen blijkt dat hij namens de verzorgingstehuizen en de bewoners ervan de aanvraag om een tegemoetkoming heeft ingediend en de verdere noodzakelijke procedures heeft gevoerd, faalt dat betoog.

Dit is immers strijdig met de melding van de schade op 21 december 1998.

Daarbij kan, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, de vraag of sprake is geweest van zaakwaarneming in het midden blijven, omdat, zelfs indien daarvan sprake geweest zou zijn, de in verband met de zaakwaarneming gemaakte kosten op grond van artikel 6:200 van het Burgerlijk Wetboek voor rekening zouden zijn gekomen van degene wiens belang is behartigd, derhalve de verzorgingstehuizen of de bewoners ervan.

Wat betreft de in hoger beroep overgelegde machtigingen, waarbij de directie van elk van de verzorgingstehuizen verklaart dat de door appellant in bezwaar, in beroep en thans in hoger beroep aangespannen procedures mede namens de directie en de bewoners van de instelling zijn aangespannen, overweegt de Afdeling dat de Algemene wet bestuursrecht zich verzet tegen partijstelling buiten de in die wet genoemde termijnen. Ook een eerder overgelegde machtiging zou betrokken partijen overigens niet hebben kunnen baten, nu, zoals uit het vorenstaande voortvloeit, de aanvraag immers niet is gedaan door of namens een gedupeerde in de zin van de Wet.

2.5. Voor zover appellant stelt dat de situatie ten tijde van de extreme regenval van dien aard was dat de Wet niet strikt zou moeten worden toegepast, overweegt de Afdeling dat de Wet de Staatssecretaris niet de ruimte laat anders te besluiten dan hij heeft gedaan.

2.6. De conclusie van het vorenstaande is dat het hoger beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. De Gooijer w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2003.

238.