Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5037

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200200718/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200200718/2.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van het waterschap de Dommel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2001, kenmerk 01.03352, heeft verweerder aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directie Noord-Brabant (hierna: vergunninghouder), voor de duur van één jaar een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van grondwater en potentieel verontreinigd hemelwater dat vrijkomt tijdens de aanleg van de verdiepte ligging voor de omlegging van de rijksweg A50 tussen km 1.100 en 3.800, plaatselijk bekend als het gedeelte tussen Bestseweg en Sonniuswijk, op het oppervlaktewater “de Stinkloop”. Dit besluit is op 24 december 2001 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 februari 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar verweerders, vertegenwoordigd door P.T.L.M. Cuijten en ing. H.J.W. Vugts, beiden werkzaam bij het waterschap, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord, vertegenwoordigd door mr. D.J.M. Elshof en [gemachtigde], beiden werkzaam bij vergunninghouder.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten voeren aan zij ten onrechte niet door verweerder zijn gehoord naar aanleiding van de door hen ingebrachte bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit. Dit is volgens hen in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts stellen zij dat zij uit de krant hebben moeten vernemen dat het bestreden besluit was genomen.

2.1.1. In artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd, een ieder daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijke bedenkingen kan inbrengen.

In artikel 3:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is, voorzover hier relevant, bepaald dat gedurende de in artikel 3:24, eerste lid, bedoelde termijn desgevraagd voor een ieder gelegenheid bestaat tot een gedachtenwisseling over het ontwerp van het besluit.

In artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het belanghebbenden in de gelegenheid stelt te worden gehoord.

2.1.2. Appellanten hebben op grond van artikel 3:24 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijke bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht ziet niet op de behandeling van bedenkingen, doch heeft betrekking op de behandeling van de op grond van artikel 7:1 ingediende bezwaarschriften, zodat van strijdigheid met dit artikel geen sprake kan zijn. Voorzover appellanten beogen aan te voeren dat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:25 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen, overweegt de Afdeling dat appellanten niet om een gedachtewisseling als bedoeld in dit artikel hebben verzocht. Op grond hiervan bestond voor verweerder dan ook geen verplichting om tot het horen van appellanten over te gaan.

Het bezwaar van appellanten met betrekking tot de late verzending van het bestreden besluit ziet op een omstandigheid die dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Deze omstandigheid kan geen grond voor vernietiging van dat besluit zijn, aangezien niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van het bestreden besluit kan worden aangetast.

Deze beroepsgrond faalt.

2.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewater.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wvo worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.3. Appellanten menen dat de onderhavige vergunning ten onrechte aan het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is verleend, aangezien de vergunning niet door het Ministerie, maar door Combinatie Son te Ede is aangevraagd.

2.3.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Wvo, gelezen in samenhang met artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

[Appellanten] hebben deze grond niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan [appellanten] redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van [appellanten] in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3.2. Uit het aanvraagformulier blijkt dat de vergunning door Combinatie Son in opdracht van en kennelijk namens het Ministerie van Verkeer en Waterstaat is aangevraagd. Derhalve heeft verweerder het Ministerie terecht als aanvrager van de vergunning aangemerkt.

Deze beroepsgrond van [appellant] treft geen doel.

2.4. Appellanten voeren aan dat de geografische positie van de wegomlegging van de rijksweg A50 niet juist in het bestreden besluit is weergegeven. Volgens hen wordt de verdiepte ligging voor de wegomlegging van de A50 tussen km 1.500 en 3.200 aangelegd, omdat deze begrenzing overeenkomt met de in het bestreden besluit aangegeven aanduiding “plaatselijk bekend als gedeelte tussen Bestseweg en Sonniuswijk”.

2.4.1. [Appellanten] hebben deze grond niet als bedenking tegen het ontwerp van het bestreden besluit ingebracht. Het bepaalde in artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing. Het beroep van [appellanten] is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4.2. De aanvraag heeft betrekking op lozing op het oppervlaktewater als gevolg van de aanleg van de omlegging van rijksweg A50 tussen “km 1.100 en 3.800”, hetgeen ook in voorschrift 1 tot uitdrukking komt. In de overwegingen van het besluit is daarnaast evenals in genoemd voorschrift de globale aanduiding “plaatselijk bekend als gedeelte tussen Bestseweg en Sonniuswijk” vermeld. Hoewel laatstgenoemde aanduiding, zoals appellanten stellen en verweerder erkent, niet geheel overeenkomt met de aanduiding tussen “km 1.100 en 3.800”, is naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk dat de aanvraag en de vergunning daarop betrekking hebben. Deze beroepsgrond van [appellant] treft derhalve geen doel.

2.5. Appellanten betogen dat de onderhavige vergunning in strijd is met de door gedeputeerde staten van Noord-Brabant verleende vergunning tot het onttrekken van grondwater. Zij stellen dat in de krachtens de Grondwaterwet verleende vergunning is bepaald dat het onttrokken grondwater opnieuw in de bodem moet worden geïnfiltreerd, terwijl de Wvo-vergunning de mogelijkheid biedt het onttrokken grondwater op het oppervlaktewater te lozen. Ook wijzen zij erop dat thans twee verschillende uitvoeringsorganen bij het retourneren van het grondwater zijn betrokken. Volgens hen is sprake van strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.5.1. Verweerder stelt dat de onderhavige vergunningaanvraag uitsluitend aan de Wvo moet worden getoetst en dat het al dan niet naleven van de onttrekkingsvergunning hierbij geen rol speelt. Van strijdigheid tussen beide vergunningen is volgens hem overigens geen sprake.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat er geen coördinatieregeling geldt op basis waarvan de vergunningverlening op grond van de Grondwaterwet en de Wvo op elkaar moeten worden afgestemd. Terecht heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de onderhavige vergunningaanvraag uitsluitend aan de Wvo moet worden getoetst en dat de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater hierbij centraal staat. De door appellanten aangevoerde gronden hebben betrekking op de handhaving van de Grondwaterwetvergunning en kunnen bij de beoordeling van het onderhavige besluit dan ook geen rol spelen.

Deze beroepsgrond faalt.

2.6. Volgens appellanten is uit het bestreden besluit af te leiden dat een volledige retourbemaling van het onttrokken grondwater niet mogelijk is, zodat een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Verweerder is hier volgens hen ten onrechte aan voorbijgegaan.

2.6.1. [Appellanten] hebben deze grond niet als bedenking tegen het ontwerp van het bestreden besluit ingebracht. Het bepaalde in artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing. Het beroep van [appellanten] is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.6.2. De Afdeling stelt vast dat voor de vergunde activiteiten op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 geen verplichting bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapport. Deze beroepsgrond van [appellant] slaagt derhalve niet.

2.7. Appellanten vrezen schade door zetting te zullen ondervinden als het onttrokken grondwater op het oppervlaktewater wordt geloosd en niet opnieuw in de bodem wordt geïnfiltreerd. Zij menen dat verweerder dit aspect onvoldoende heeft onderzocht.

2.7.1. De Afdeling overweegt dat het gevaar van zetting bij de vergunningverlening op grond van de Grondwaterwet of de verlening van ontheffing op grond van de Keur moet worden beoordeeld. Dit aspect wordt niet bij de vergunningverlening krachtens de Wvo geregeld en kan bij de beoordeling van het onderhavige besluit dan ook geen rol spelen. Deze beroepsgrond faalt.

2.8. Appellanten betogen dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre de uitvoering van werkzaamheden afwijkt van de verleende vergunning en de hiervan deel uitmakende tekening.

2.8.1. [Appellant] heeft deze grond niet als bedenking tegen het ontwerp van het bestreden besluit ingebracht. Het bepaalde in artikel 20.6, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, van de Wet milieubeheer is niet van toepassing. Het beroep van [appellant] is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk.

2.8.2. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de thans ter beoordeling staande vergunning en dat deze beroepsgrond om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de vergunning en de hieraan verbonden voorschriften.

2.9. Het beroep van appellanten is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten] voorzover dit betrekking heeft op het ten onrechte aanmerken van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat als vergunninghouder, het onjuist weergeven van de geografische positie van de wegomlegging, het ten onrechte voorbijgaan aan de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapport en het beroep van [appellant] voorzover dit betrekking heeft op het onvoldoende onderzoeken in hoeverre de uitvoering van de werkzaamheden afwijkt van de verleende vergunning, niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van appellanten voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th. G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

191-404.