Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5030

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200204912/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204912/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap Cash Beheer B.V., gevestigd te Amerongen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 29 juli 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amerongen.

1. Procesverloop

Bij brief van 21 oktober 1999 heeft appellante aan het college van burgemeester en wethouders van Amerongen (hierna: het college) verzocht te bevestigen dat de uitbouw van de liftschacht op het perceel Industrieweg 7-9, te Amerongen (hierna: het perceel), vergunningvrij is in de zin van artikel 43, eerste lid onder e, van de Woningwet.

Bij brief van 14 december 1999 heeft het college appellante medegedeeld dat de uitbouw van de liftschacht niet voldoet aan de vereisten van een vergunningvrij bouwwerk als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet.

Bij besluit van 5 juni 2000 heeft het college het daartegen door appellante bij brief van 20 januari 2000 gemaakte bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften, ongegrond verklaard.

Bij brief van 1 mei 2000 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 20 januari 2000. Het college heeft deze brief ter behandeling als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank).

Bij uitspraak van 29 juli 2002, verzonden op 30 juli 2002, heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 5 juni 2000 ingestelde beroep ongegrond, alsmede het beroepschrift, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het ingediende bezwaarschrift, niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2002 hebben het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mevrouw mr. W.E. Oudshoorn, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.2. Het college heeft appellante naar aanleiding van haar verzoeken bij brief van 14 december 1999, medegedeeld dat de uitbouw van de liftschacht niet voldoet aan de vereisten van een vergunningvrij bouwwerk als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onder e, van de Woningwet.

2.3. Deze mededeling is naar oordeel van de Afdeling niet op rechtsgevolg gericht en aldus niet als een publiekrechtelijke rechtshandeling aan te merken. Gelijk de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak inzake no. H01.97.0614 van 13 augustus 1998 (gepubliceerd in BR 1998, p. 955 en Gst. 1999, 7100, 8) gaat de Woningwet er vanuit dat indien tussen het bestuur en burger verschil van mening bestaat over de vraag of er sprake is van bouwen in de zin van artikel 40 van de wet, de burger - op de daarvoor voorgeschreven wijze – een aanvraag om bouwvergunning indient teneinde duidelijkheid hierover te krijgen. In die procedure kan ook de vraag aan de orde worden gesteld, of een dergelijke vergunning nodig is. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering gemaakt, indien het volgen van de vergunningprocedure als een onevenredig bezwarende weg moet worden aangemerkt. Een zodanige situatie doet zich hier niet voor.

2.4. Nu de brief van 14 december 1999, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, heeft het college derhalve het bezwaar tegen deze brief ten onrechte ontvankelijk geacht. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond, zij het op een andere grond dan appellante betoogt.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal voorts, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het inleidende beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 5 juni 2000 vernietigen. Bovendien ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bezwaar tegen de brief van 14 december 1999 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5 Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 29 juli 2002, SBR 2000/917, SBR 2000/918, SBR 2000/919 voor zover het betreft het besluit van het college van 5 juni 2000, betreffende de uitbouw van de liftschacht;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van burgemeester en wethouders van Amerongen van 5 juni 2000, kenmerk 15, voorzover dit betreft de uitbouw van de liftschacht;

V. verklaart appellante alsnog niet-ontvankelijk in haar bezwaar;

VI. gelast dat door de gemeente Amerongen aan appellante het door haar gestorte recht in beroep en hoger beroep (ƒ 450,00/€ 204,20 + € 327,00) wordt vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

47-439.