Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5029

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200204964/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204964/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 2 augustus 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amerongen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amerongen (hierna: het college) afwijzend beslist op het verzoek van appellante om vergunning c.q. vrijstelling te verlenen voor het gebruik van het bedrijfspand op het perceel [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel) ten behoeve van

1. bezoekerscentrum voor dagtoeristen;

2. zaalverhuur voor onder meer vergaderingen, exposities, zaalsport, bruiloften, toneelvoorstellingen;

3. veilingen voor antiek, curiosa, inboedel en onroerende zaken;

4. vlooienmarkt;

5. horeca-ondersteunende bedrijfsactiviteiten via catering ten behoeve van de hiervoor genoemde activiteiten.

Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van commissie bezwaar- en beroepschriften van 2 augustus 2001, het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 11 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 oktober 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door de directeur, en het college, vertegenwoordigd door mevrouw mr. W.E. Oudshoorn, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan “Bedrijventerrein” de bestemming “Bedrijven” met, op de bij dat bestemmingsplan behorende zoneringskaart, de aanduiding “I”. Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 2.1-1a in samenhang met 2.1-1b - voor zover hier van belang - bestemd voor de uitoefening van bedrijven, met dien verstande dat bedrijven en/of inrichtingen, respectievelijk gebruik van gronden en opstallen, zoals genoemd in de categorieën 3, 4 en 5 op de bij het bestemmingsplan behorende Staat van inrichtingen, niet zijn toegestaan, respectievelijk is verboden op de gronden die op het bij de bestemmingsplan behorende zoneringskaartje zijn aangeduid met het romeinse cijfer I.

Verder zijn ter plaatse ingevolge artikel 2.1-1f bedrijven, vallende onder het Besluit Categorie A-inrichtingen Wet geluidhinder (Stb. 1981, 671) niet toegestaan.

Ingevolge artikel 2.1-1g zijn detailhandelsbedrijven uitsluitend toegestaan, indien en voor zover dit op de kaart als zodanig is aangegeven.

Ingevolge artikel 3.1-a is het – voor zover hier van belang - verboden de betreffende gronden en de zich daarop bevindende opstallen te gebruiken, te doen gebruiken of te laten gebruiken, anders dan ten dienste van de in artikel 2.1-1 omschreven doeleinden. Onder verboden gebruik wordt ingevolge artikel 3.1-c in samenhang met 3.1-e in ieder geval verstaan de uitoefening van detailhandelsbedrijven, tenzij op de kaart is aangegeven dat deze zijn toegestaan.

Het begrip detailhandelsbedrijf wordt in artikel 1.1-n omschreven als een bedrijf dat uitsluitend of overwegend is gericht op de bedrijfsmatige verkoop van goederen direct ten dienste van particulier gebruik en/of verbruik.

2.2. Appellante voert in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de haar inziens voor Nederland verplichte Internationale bedrijfsactiviteitenclassificatie/-typering, zoals deze is opgenomen in de “bedrijfsactiviteitenlijst”, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, en de gevolgen hiervan voor de uitleg en de toepassing van de bepalingen van het bestemmingsplan Bedrijventerrein, in het bijzonder de artikelen 1.1-n Begripsomschrijvingen, 2.1-1a t/m g Bedrijven en 2.1-3a t/m j. Appellante meent in het bijzonder dat uit bedoelde lijst dient te worden afgeleid dat de door haar in haar verzoek genoemde activiteiten geen detailhandel betreffen.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat de vermelde “bedrijfsactiviteitenlijst” een handreiking voor gemeenten biedt bij het vaststellen van nieuwe bestemmingsplannen. Deze lijst heeft geen wettelijke status en stelt reeds geldende bestemmingsplannen derhalve niet ter zijde. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college terecht heeft getoetst aan het bestemmingsplan “Bedrijventerrein 1991” en de daarbij behorende Staat van inrichtingen. De Afdeling merkt daarbij nog op dat uit artikel 2.1-1a, in samenhang met de artikelen 2.1-1b en 2.1-1f voornoemd, - anders dan het college kennelijk meent – voortvloeit, dat op het bedrijventerrein uitsluitend de in de Staat van inrichtingen in de categorieën 3, 4 en 5 genoemde bedrijven en bedrijven vallende onder het Besluit Categorie A-inrichtingen Wet geluidhinder niet zijn toegestaan, nu deze planvoorschriften uitdrukkelijk alleen de niet toegestane bedrijven noemen.

2.3. De Afdeling ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het college terecht het standpunt heeft ingenomen, dat het door appellante beoogde gebruik in strijd is met artikel 2.1 van de planvoorschriften en dat het verlenen van binnenplanse vrijstelling niet tot de mogelijkheden behoort.

2.3.1. Ter beantwoording van deze vraag overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat de rechtbank terecht en op goede gronden het standpunt van het college heeft gevolgd, dat het gebruik van het bedrijfspand ten behoeve van veilingen en vlooienmarkten, niet is toegestaan. Deze vormen van gebruik dienen te worden opgevat als detailhandelsactiviteiten, die op grond van artikel 3.1-e van de planvoorschriften zijn verboden.

2.3.2. Het gebruik ten behoeve van het bezoekerscentrum, de zaalverhuur en de horecaondersteunende activiteiten, heeft het college als een vorm van horeca, aangemerkt als een vorm van horeca en op die grond binnenplanse vrijstelling geweigerd. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd.

De Afdeling is van oordeel dat, gelet op het dienstverlenende karakter van deze activiteiten, dat zich uit in het ter plaatse bieden van voorlichting en vermaak aan groepen personen, dit gebruik moet worden aangemerkt als wezensvreemd aan gebruik dat plaatsvindt op een bedrijventerrein zoals hier aan de orde. De Afdeling is met de rechtbank – zij het dat de in de aangevallen uitspraak neergelegde gedachtegang niet wordt gevolgd – van oordeel dat dit gebruik in strijd is met de ter plaatse geldende bestemming “Bedrijven”.

2.3.3. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat er geen ruimte bestaat voor vrijstelling met toepassing van de zogenaamde toverformule, nu niet is gebleken dat met het bestemmingsplan overeenstemmend gebruik niet meer tot de mogelijkheden behoort.

De Afdeling is verder van oordeel dat het college het gedane verzoek om binnenplanse vrijstelling voor het gebruik ten behoeve van de veilingen en vlooienmarkten terecht heeft geweigerd, nu het bestemmingsplan ter zake van het verbod tot uitoefening van detailhandel geen relevante vrijstellingsbepaling kent.

Ten aanzien van het verzoek om binnenplanse vrijstelling ten behoeve van het bezoekerscentrum, de zaalverhuur en de horecaondersteunende activiteiten, overweegt de Afdeling dat de in het plan neergelegde vrijstellingsbepalingen de bestaande strijdigheid met de bestemming niet kunnen opheffen.

2.4. Het beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

47-439.