Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5028

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200202740/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202740/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V.", gevestigd te Moerdijk,

appellante,

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2002, kenmerk AWE/2002.3783 I, heeft verweerder krachtens artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren aan appellante tot 1 mei 2007 vergunning verleend aan appellante voor het lozen van afvalwater via vier lozingspunten (nrs. 2, 3, 6 en 7) alsmede op twee ongenummerde dakafvoeren op het Hollandsch Diep. Dit besluit is op 9 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 21 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 juni 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs P. Rens en mr. G.J.M. Cartigny, advocaten te Rotterdam, [gemachtigden],

en verweerder, vertegenwoordigd door Van de Rijk en mr. E.H. Boers-Gerlings, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat ten onrechte voor vijf jaar vergunning is verleend in plaats van voor tien jaar.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voorzover thans van belang, is artikel 8.17 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing met betrekking tot een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 7b, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren wordt, indien in een geval als bedoeld in het eerste lid in de vergunning krachtens de Wet milieubeheer overeenkomstig artikel 8.17 van die wet een bepaling is opgenomen over de termijn waarvoor zij geldt, een gelijke bepaling opgenomen in de vergunning krachtens deze wet.

De Afdeling overweegt dat verweerder, gelet op artikel 7b, vijfde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de onderhavige vergunning terecht voor eenzelfde termijn heeft verleend als waarvoor de gelijktijdig door het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant krachtens de Wet milieubeheer vergunning is verleend.

Nu de Afdeling bij uitspraak van heden, no. 200202333/1, het door appellante tegen deze laatste vergunning ingestelde beroep wat betreft de termijn waarvoor deze is verleend ongegrond heeft geoordeeld, dient ook het onderhavige beroep in zoverre ongegrond te worden verklaard.

2.2. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Overdijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

320.