Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5024

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200202667/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Algemene wet bestuursrecht 8:74
Woningwet
Woningwet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/102

Uitspraak

200202667/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap Heegermeer Opleidingen B.V., gevestigd te Heeg,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 april 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Wymbritseradiel.

1. Procesverloop

Bij brief van 9 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wymbritseradiel (hierna: het college) appellante aangeschreven om de eerste verdieping van de accommodatie aan de Gouden Boaijum 2 te Heeg (hierna: de accommodatie), wegens het ontbreken van een gebruiksvergunning en het niet voldoen aan de in de bouwverordening gestelde brandveiligheidseisen, met onmiddellijke ingang buiten gebruik te stellen en daarbij aangegeven dat, als een aantal nader genoemde elementaire gebreken zijn hersteld, beoordeeld zal worden of de accommodatie weer in gebruik kan worden genomen.

Bij besluit van 23 november 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 10 april 2002 heeft het college aan appellante bericht dat zij heeft besloten om zowel de beslissing op bezwaar van 23 november 2001 als het primaire besluit van 9 april 2001 in te trekken, omdat op intensieve wijze wordt meegewerkt aan het verhelpen van de geconstateerde elementaire gebreken, waardoor de reden voor het buiten gebruik stellen van de accommodatie is komen te vervallen.

Bij uitspraak van 25 april 2002, verzonden op 26 april 2002, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 14 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft op 23 november 2001 het door appellante gemaakte bezwaar tegen de beslissing van 9 april 2001 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit geen besluit zou zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het daartegen gerichte beroep van appellante wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de beslissing op bezwaar bij brief van 10 april 2002 is ingetrokken, terwijl voorts niet aannemelijk is geworden dat appellante als gevolg van die beslissing schade heeft geleden.

2.2. De Afdeling stelt voorop dat de primaire beslissing van 9 april 2001, gelet op haar inhoud en strekking, dient te worden aangemerkt als een aanschrijving als bedoeld in artikel 17, derde en vierde lid, van de Woningwet. Dat aan deze aanschrijving geen aanzegging bestuursdwang is gekoppeld maakt dat niet anders. Er is derhalve sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.3. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat appellante geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van 23 november 2001.

Ingevolge artikel 6:19, derde lid, van de Awb staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. De Afdeling overweegt dat, nu het college de onrechtmatigheid van het bestreden besluit in haar besluit van 10 april 2002 niet heeft erkend en de aanschrijving, blijkens de strekking van dit besluit, niet met terugwerkende kracht is ingetrokken, terwijl appellante heeft gesteld dat zij door de aanschrijving schade heeft geleden, niet kan worden gezegd dat appellante geen (proces)belang meer heeft bij het verkrijgen van een uitspraak op het door haar ingestelde beroep. De rechtbank heeft het beroep derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

2.4. Voorts betoogt appellante terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de gemeente Wymbritseradiel het gestorte griffierecht ten bedrage van € 102,10 aan appellante dient te vergoeden, nu dit slechts een gedeelte is van het door appellante gestorte griffierecht ten bedrage van € 218,00.

2.5. Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog het beroep van appellante behandelen.

2.6. Zoals hiervoor is overwogen is de primaire beslissing van 9 april 2001 aan te merken als een (appellabel) besluit, zodat het college het daartegen gerichte bezwaar van appellante bij hun besluit van 23 november 2001 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet hierop komt de bestreden beslissing op bezwaar eveneens voor vernietiging in aanmerking. Bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar dient het college alsnog de bezwaren van appellante inhoudelijk te beoordelen en te bezien of zij op 9 april 2001 tot een aanschrijving op grond van artikel 17 van de Woningwet konden overgaan. Daarbij dient zij te betrekken dat een aanschrijving als een uiterst middel moet worden beschouwd en dat voorafgaand daaraan moet worden geprobeerd langs vrijwillige weg de noodzakelijke voorzieningen te laten treffen door degene die daartoe bevoegd is.

2.7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 25 april 2002, kenmerk 02/22 BOUWB;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wymbritseradiel van 23 november 2001, kenmerk 2001/8549;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Wymbritseradiel op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. gelast dat de gemeente Wymbritseradiel aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht € 545,00 (€ 218,00 + € 327,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

58-398.