Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200201488/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201488/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

appellant, wonend te Bergschenhoek,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2001 heeft verweerder het door appellant ingediende verzoek om handhavend op te treden tegen de [vergunninghouder] , gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2002, verzonden op 20 februari 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2002, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. E.M. Richel, advocaat te Rotterdam, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. K. Hortsing en

M. Verhoeven, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Tussen partijen is allereerst in geschil of het onderhavige glastuinbouwbedrijf valt onder de werkingsfeer van het Besluit tuinbouwbedrijven met bedekte teelt milieubeheer (hierna: het Besluit).

2.2.1. Appellant betoogt dat de inrichting niet valt onder de werkingsfeer van het Besluit, aangezien op minder dan 50 meter afstand van de inrichting een gevoelig object als bedoeld in het Besluit is gelegen. Hij stelt dat de strook water en grond grenzend aan het terrein van de inrichting, niet los mag worden gezien van het natuurgebied “Hoeksche Park”. Volgens hem heeft het natuurgebied, inclusief de desbetreffende strook, in diverse planologische plannen een recreatieve bestemming gekregen. Hij betoogt dat het natuurgebied integraal moet worden bezien en als zodanig als een gevoelig object moet worden aangemerkt. Uit het vorenstaande volgt volgens hem dat de inrichting vergunningplichtig is krachtens de Wet milieubeheer. Hij stelt dat de inrichting thans ten onrechte zonder vergunning in werking is.

2.2.2. Volgens verweerder is het Besluit op de inrichting van toepassing. Hij stelt dat de desbetreffende strook water en grond feitelijk niet wordt gebruikt voor verblijfs- of dagrecreatie. Derhalve kan deze strook volgens hem niet worden aangemerkt als een gevoelig object in de zin van het Besluit.

2.2.3. In artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van het Besluit is bepaald dat het Besluit niet van toepassing is op een tuinbouwbedrijf met bedekte teelt, dat is opgericht na het tijdstip van inwerkingtreding van het Besluit en dat is gelegen op minder dan 50 meter afstand van een object categorie I.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Besluit is bepaald dat onder een object categorie I onder meer een gevoelig object moet worden verstaan.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit is bepaald dat onder een gevoelig object moet worden verstaan: een gebouw of deel van een gebouw dat is bestemd voor het verblijf van personen of een object, gebouw of terrein dat is bestemd voor verblijfs- of dagrecreatie, niet zijnde een kampeerterrein als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, dan wel artikel 8, derde lid van de wet op de openluchtrecreatie.

2.2.4. Ter beantwoording van de vraag of sprake is van een gevoelig object in de zin van het Besluit, is de feitelijke situatie ter plaatse bepalend. Op grond van de stukken moet worden vastgesteld dat de bedoelde strook grond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit braakliggend was en op zichzelf geen onlosmakelijk onderdeel vormde van het ter plaatse aangrenzende natuurgebied. Partijen hebben ter zitting verklaard dat de bedoelde strook nog steeds braakliggend is. Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat de desbetreffende strook feitelijk niet ten behoeve van verblijfs- of dagrecreatie in gebruik is genomen. Hieraan doet niet af dat er volgens appellant regelmatig langs het water van de strook wordt gevist.

Op grond van het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat op minder dan 50 meter afstand van de inrichting geen gevoelig object als bedoeld in het Besluit is gelegen, zodat de inrichting valt onder de werkingsfeer van het Besluit.

Deze beroepsgrond faalt.

2.3. Appellant stelt dat hij lichthinder ten gevolge van de inrichting ondervindt. Hij meent dat indien het Besluit op de inrichting van toepassing is, de inrichting - met name in de maanden december en januari – niet voldoet aan het verbod om toepassing van assimilatiebelichting vanaf 20.00 tot 24.00 uur. Volgens hem heeft verweerder ten onrechte nagelaten hiertegen op te treden.

2.3.1. Volgens verweerder is niet gebleken van lichthinder, zodat geen aanleiding bestaat om tot handhaving over te gaan.

2.3.2. In de voorschriften 9.1 tot en met 9.6, van Bijlage I, behorende bij het Besluit zijn regels met betrekking tot lichthinder opgenomen.

In voorschrift 9.1 is, voorzover hier relevant, bepaald dat de gevel van een glasopstand waarin assimilatiebelichting wordt toegepast, dient te zijn afgeschermd op een zodanige wijze dat de lichtuitstraling op een afstand van ten hoogste 10 meter van die gevel met tenminste 95% wordt gereduceerd en de gebruikte lampen buiten de inrichting niet zichtbaar zijn.

In voorschrift 9.5 is bepaald dat de toepassing van assimilatiebelichting niet is toegestaan in de periode vanaf 1 september tot 1 mei vanaf 20.00 tot 24.00 uur.

In voorschrift 9.6 is, voorzover hier relevant, bepaald dat het in voorschrift 9.5 gestelde verbod niet van toepassing is indien redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat in de in dat voorschrift aangegeven periode gedurende de daarin genoemde uren geen assimilatiebelichting wordt toegepast. In dat geval kan het bevoegd gezag de in voorschrift 9.6 genoemde nadere eisen stellen, die onder de gegeven omstandigheden de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die assimilatiebelichting voor het milieu kan veroorzaken en die redelijkerwijs kunnen worden gevergd.

2.3.3. Uit de stukken blijkt dat verweerder bij zijn besluit van 29 januari 2002 heeft toegestaan dat het in voorschrift 9.5 gestelde verbod tot 1 februari 2002 niet wordt nageleefd. Ter zitting is komen vast te staan dat deze vrijstelling verband houdt met het feit dat de inrichting gebruik maakt van zogenaamde restwarmte en dat de ketel van de inrichting begin 2002 vanwege weersomstandigheden niet goed functioneerde. De inrichting moest noodgedwongen tijdelijk op het gebruik van assimilatiebelichting terugvallen om zodoende de kassen op temperatuur te houden. Verweerder heeft toegelicht dat de vorenstaande problemen inmiddels zijn verholpen.

Verder moet op grond van de stukken worden vastgesteld dat door verweerder diverse controles naar aanleiding van de door appellant gestelde lichthinder zijn uitgevoerd. Uit deze controles is niet gebleken dat de in het Besluit opgenomen voorschriften met betrekking tot lichthinder niet worden nageleefd. De Afdeling ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding hieromtrent anders te oordelen. Nu geen sprake is van een overtreding van de voorschriften van het Besluit, heeft verweerder terecht geoordeeld dat hij niet bevoegd is handhavend op te treden.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellant stelt dat hij geluidhinder ten gevolge van de inrichting ondervindt. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten dit aspect nader te onderzoeken.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het handhavingsverzoek van appellant noch zijn bezwaarschrift een verzoek om handhaving van de geluidnormen behelst, nu appellant dit punt niet heeft toegelicht. Derhalve is verweerder in het bestreden besluit niet op het aspect geluidhinder ingegaan. In zijn verweerschrift alsmede ter zitting heeft hij nader toegelicht dat uit een controle is gebleken dat de inrichting voldoet aan de geluidvoorschriften van het Besluit. Derhalve heeft hij geen aanleiding gezien handhavend op te treden.

2.4.2. In de voorschriften 8.1 tot en met 8.9, van Bijlage I, behorende bij de Besluit zijn regels met betrekking tot geluidhinder opgenomen.

2.4.3. De Afdeling overweegt het volgende.

In zijn verzoek om handhaving van 7 februari 2001 maakt appellant melding van het feit dat hij geluidhinder ten gevolge van de inrichting ondervindt. In zijn bezwaarschrift van 20 juni 2001 heeft hij verweerder nogmaals gewezen op de zijns inziens te hoge geluidproductie veroorzaakt door de ventilatoren van de inrichting. Uit voornoemde stukken blijkt dat appellant verzocht heeft om handhaving van de geluidvoorschriften en bezwaar heeft gemaakt tegen de in zoverre in het besluit in primo begrepen beslissing.

In zijn verweerschrift stelt verweerder in aanvulling op de motivering van het bestreden besluit dat naar aanleiding van diverse klachten een controle terzake van de gestelde geluidhinder heeft plaatsgevonden. Tijdens deze controle is door hem geen overtreding van de geluidvoorschriften geconstateerd. Overigens is erop gewezen dat de onderhavige inrichting niet over ventilatoren of een airco beschikt, dat het laden en lossen ten behoeve van de inrichting inpandig plaatsvindt en dat de inrichting op ongeveer 100 meter afstand van de woning van appellant is gelegen. Op grond van het vorenstaande acht verweerder het niet denkbaar dat de inrichting de door appellant gestelde geluidhinder veroorzaakt.

Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder geen metingen heeft doen verrichten naar aanleiding van de door appellant gestelde geluidhinder. Naar het oordeel van de Afdeling had het op de weg van verweerder gelegen dergelijke metingen te doen verrichten om zodoende inzicht te verkrijgen in de feitelijk door de inrichting veroorzaakte geluidbelasting en de hieruit voortvloeiende akoestische gevolgen voor appellant. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het beroep slaagt in zoverre.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover verweerder daarbij heeft geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van de gestelde overtreding van de geluidvoorschriften van het Besluit.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek van 12 februari 2002, voorzover het daarbij heeft geweigerd bestuurlijke handhavingsmaatregelen te treffen ten aanzien van de vermeende overtreding van de geluidvoorschriften van het Besluit;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bergschenhoek in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Bergschenhoek te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de gemeente Bergschenhoek aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th. G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

191-404.