Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5006

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200202181/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202181/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Coevorden,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de gemeenteraad van Coevorden vastgesteld het bestemmingsplan "Bedrijventerrein De Watering".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 februari 2002,

kenmerk 6.2/2001007218, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 17 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 april 2002, beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 september 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. W.J.B. Claassen-Dales, advocaat, en H. Bouwers, wethouder bij de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. ing. A.T. Hiddema, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is daar gehoord de Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening Regio Noord van de Rijksplanologische Dienst van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, vertegenwoordigd door mr. R.T.C. van der Wal.

2. Overwegingen

2.1. Het plan heeft betrekking op gronden tussen de N34 en het Dwarspad ten noorden van de Lutterhoofdwijk bij Coevorden.

Met het plan wordt voorzien in het bedrijventerrein "De Watering", dat een oppervlakte van ongeveer 35 hectare heeft en bedoeld is voor bedrijven in de milieucategorie├źn 1 tot en met 3 met een ruimtebehoefte tot 1,5 hectare (verder: de kleine bedrijven).

Verweerder heeft bij het bestreden besluit goedkeuring aan het plan onthouden.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Verweerder heeft het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en daarom aanleiding gezien goedkeuring hieraan te onthouden. Hij heeft overwogen dat de noodzaak van het voorziene bedrijventerrein onvoldoende is aangetoond en acht daarom geen noodzaak aanwezig om de door de N34 gevormde harde grens tussen de bebouwde kern en het landelijk gebied te doorbreken.

2.4. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plan. Hij stelt dat de noodzaak van het voorziene bedrijventerrein in voldoende mate is aangetoond. De behoefte aan het voorziene bedrijventerrein voor de kleine bedrijven kan niet opgevangen worden op de bedrijventerreinen "Leeuwerikenveld II" en "Europark", omdat deze bedoeld zijn voor bedrijven met een grotere ruimtebehoefte, aldus appellant.

2.5. Volgens de plantoelichting is het gemeentelijke beleid ten aanzien van bedrijventerreinen gericht op het bieden van diversiteit en een ruim aanbod. De totale behoefte aan bedrijventerrein is in het gehele gebied rond Coevorden in de komende 10 jaar ongeveer 130 hectare. Deze schatting is gebaseerd op de gemiddelde verkoop van bedrijventerrein door de gemeente in de periode 1992-1998. Voor de periode vanaf 1999 tot 2010 is uitgegaan van een gelijkblijvend uitgiftetempo. Het gemeentebestuur verwacht dat de vraag naar bedrijventerrein zal toenemen vanwege de goede bereikbaarheid van Coevorden en vanwege de revitalisering van bestaande bedrijventerreinen, aldus de plantoelichting.

Op de bij het op 16 december 1998 door provinciale staten van Drenthe vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Drenthe (verder: het POP) behorende functiekaart 1 wordt Coevorden aangeduid als substreekcentrum. Volgens het POP vervullen substreekcentra net als de streekcentra een functie in het verstedelijkingsproces, maar de opgave voor wonen en werken is aanzienlijk lager dan bij de streekcentra en ook het verzorgingsgebied is aanzienlijk kleiner. Voor de ontwikkeling van de bedrijvigheid hebben de substreekcentra een functie om te voorzien in de behoefte aan regionale bedrijventerreinen, doch in beperktere mate dan de streekcentra. Verder komt Coevorden in aanmerking voor de ontwikkeling van gemengde bedrijventerreinen en distributieterreinen. Beide terreinen zijn bestemd voor activiteiten in de milieucategorie├źn 1-4, aldus het POP. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door de gemeente gewenste diversiteit aan bedrijventerreinen, waaronder een speciaal bedrijventerrein voor kleine bedrijven in de milieucategorie├źn 1-3, niet in overeenstemming is met de in het POP aan Coevorden toegekende functie. Verweerder heeft dan ook bij zijn beoordeling kunnen betrekken de vestigingsmogelijkheden voor kleine bedrijven elders.

Blijkens de stukken, waaronder het deskundigenbericht, is bij de schatting van de behoefte aan het voorziene bedrijventerrein de beschikbare bedrijfsruimte op bestaande bedrijventerreinen, zoals op het bedrijventerrein "De Hare", buiten beschouwing gelaten. Verder kunnen de kleine bedrijven zich ook vestigen op het bedrijventerrein "Leeuwerikenveld II", nu vestiging van deze bedrijven in de voorschriften van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Leeuwerikenveld II" niet is uitgesloten. Voorts is blijkens de plantoelichting ruimte beschikbaar op het bedrijventerrein "Europark", dat een oppervlakte van ongeveer 30 hectare heeft. Voor zover appellant aanvoert dat met het benutten van deze beschikbare ruimte afspraken met Duitse partners ten aanzien van de uitbouw van logistieke activiteiten worden geschonden, overweegt de Afdeling dat aan deze afspraken bij de beoordeling van een bestemmingsplan in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen betekenis toekomt. Tevens is blijkens de stukken binnen het rondwegenstelsel (de N34 en de S15) en ten zuiden van Coevorden ruimte aanwezig voor de vestiging van de kleine bedrijven.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de noodzaak van het bedrijventerrein "De Watering" onvoldoende is aangetoond en dat derhalve geen noodzaak aanwezig is om de door de N34 gevormde harde grens tussen de bebouwde kern en het landelijk gebied te doorbreken.

2.6. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan.

Het beroep van appellant is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

270-418.