Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200201283/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201283/1

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het Stadsgewest Haaglanden, gevestigd te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 14 januari 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2000 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de Minister) aan appellant op grond van de Wet Infrastructuurfonds en het Besluit Infrastructuurfonds (hierna: het Besluit) een subsidie verleend van ten hoogste ƒ 22.155.637,00/€ 10.053.789,75 ten behoeve van de reconstructie van het Rijswijkseplein te Den Haag.

Bij besluit van 3 april 2001 heeft de Minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2002, verzonden op 21 januari 2002, heeft de rechtbank te ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 1 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 mei 2002. Laatstgenoemde brief is aangehecht.

Bij brief van 19 augustus 2002 heeft de Minister een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.H. Gaastra, advocaat te Rotterdam, en mr. A.H. Knops en J. Blom, werkzaam bij appellant, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. P. Putters en A.S. van der Zanden, beiden ambtenaar ten departemente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ter zitting heeft appellant de beroepsgronden die geen betrekking hebben op de verdeelsleutel inzake de kosten van de infrastructuur voor het openbaar vervoer en de kosten van de voorzieningen aan het onderliggend wegennet (de verdeelsleutel OV/OWN) maar op het vergoeden van de kosten van het (ver)leggen van kabels, leidingen en riolering en op andere aspecten, ingetrokken. Het geschil in hoger beroep is derhalve beperkt tot de verdeelsleutel OV/OWN.

2.2. In artikel 7, tweede lid, van het Besluit, voorzover hier van belang, is bepaald dat de subsidie wordt verleend voor de werkelijk gemaakte kosten, tenzij de subsidie in de vorm van een vast subsidiebedrag wordt verleend.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b en d, van het Besluit is bepaald dat wanneer subsidie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor een investering wordt verleend, deze met inachtneming van het tweede lid als percentage van de op grond van artikel 5 in aanmerking komende kosten voor de regionale of lokale openbaar vervoer infrastructuur, waaronder infrastructuur ten behoeve van bussen, vijfennegentig procent bedraagt, en voor voorzieningen aan het regionale of lokale wegennet of fietswegennet vijftig procent.

2.3. Bij de reconstructie van het Rijswijkseplein zijn zowel ten behoeve van het openbaar vervoer als van het onderliggend wegennet werkzaamheden uitgevoerd. Om te kunnen bepalen welk percentage ingevolge artikel 9, eerste lid, van het Besluit bij de subsidieverlening gehanteerd moet worden, heeft de Minister nagegaan welk deel van de kosten toe te rekenen is aan de werkzaamheden ten behoeve van het openbaar vervoer en welk deel van de kosten aan het onderliggend wegennet. Tijdens vooroverleg is gesproken over een verdeling van 85%-15%. Zowel in het primaire besluit van 12 mei 2000 als in de beslissing op bezwaar van 3 april 2001 heeft de Minister de verdeling binnen de post “verhardingen” bepaald op 72%-28%, zodat een subsidie van respectievelijk 95% van 72% en 50% van 28% van de voor subsidie in aanmerking komende kosten is verleend.

2.4. Ter zitting heeft appellant allereerst betoogd dat het vinden van de juiste verdeelsleutel voor de feitelijke (in)deling van een complex project als hier aan de orde in de praktijk grote problemen oplevert. Volgens appellant is niet bedoeld dat projecten in subsidiebesluiten op een wijze als hier aan de orde worden verdeeld, maar dient te worden gekeken naar de hoofdzakelijke bedoeling van het (gehele) project. Elke verdeelsleutel voor de deling van de feitelijke kosten over de in artikel 9 van het Besluit genoemde projectsoorten is in hoge mate arbitrair. Appellant meent dat de wetgever uitgaat van één subsidiepercentage voor het gehele project. De reconstructie van het Rijswijkseplein heeft als doel het openbaar vervoer zo optimaal mogelijk te laten doorstromen (de rechtvaardiging van het project wordt gevormd door de afname van de wachttijden voor het openbaar vervoer en met name voor de tram), de voordelen voor het overige verkeer betreffen slechts een bijkomend voordeel, aldus appellant. De Minister had de kosten van de reconstructie volgens appellant dan ook in zijn geheel aan het openbaar vervoer moeten toerekenen.

Subsidiair heeft appellant gesteld dat het, indien wel een onderverdeling dient te worden gemaakt, in de rede ligt dit te doen aan de hand van het aantal reizigers in het openbaar vervoer enerzijds en het aantal automobilisten en fietsers anderzijds, voor wie de voorzieningen worden getroffen. Over deze verdeelsleutel is volgens appellant tijdens het vooroverleg overeenstemming bereikt, waarbij tevens zou zijn vastgesteld dat dit op een verdeling van 85%-15% neerkomt, hetgeen ook uit de aanvraag zou blijken.

2.4.1. De Afdeling overweegt hierover dat uit artikel 9, eerste lid, van het Besluit duidelijk blijkt dat eerst dient te worden bepaald welke kosten aan welke infrastructurele en bijbehorende voorzieningen kunnen worden toegerekend alvorens daarop de in die bepaling genoemde percentages kunnen worden toegepast. Er is geen reden om het onderhavige project in zijn geheel aan het openbaar vervoer toe te rekenen.

Weliswaar is de Minister gebonden aan de in artikel 9, eerste lid, van het Besluit genoemde percentages, maar het Besluit staat er niet aan in de weg om indien er geen volstrekte duidelijkheid is over de verdeling van de kosten over in die bepaling voorkomende voorzieningen, deze naar redelijkheid toe te rekenen. De Minister heeft op basis van de post “verhardingen” de kosten in het onderhavige geval uiteindelijk verdeeld in 72%-28%. Het stond de Minister, zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen, vrij om na afweging van alle informatie tot een andere verdeelsleutel te komen dan in het vooroverleg ter sprake is geweest. Hoewel alternatieve keuzen op zichzelf denkbaar zijn, valt niet in te zien op grond waarvan de in dit geval gemaakte keuze rechtens niet aanvaardbaar is. Dat de rechtbank heeft overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat de gekozen verdeling niet redelijk is en geen recht zou doen aan de feitelijke situatie, is naar het oordeel van de Afdeling dan ook juist.

2.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient, voorzover aangevallen, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voorzover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.M. Boll en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

18-420.