Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF5003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200203141/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203141/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van het Zuiveringsschap Hollandse Eilanden en Waarden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2002 heeft verweerder aan het college van burgemeester en wethouders van Westvoorne (hierna: vergunninghouder) een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor het lozen van afvalwater, met hemelwater verdund afvalwater en hemelwater vanuit het gemeentelijk rioolstelsel in de gemeente Westvoorne in het oppervlaktewater. Dit besluit is op 24 mei 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 6 juni – naar de Afdeling begrijpt: - 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij ongedateerde brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 juli 2002, heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2003, waar appellanten in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.L.J. Post en ing. H.J.C. van Benschop, beiden werkzaam bij het Zuiveringsschap,

zijn verschenen. Ook is vergunninghouder daar als partij gehoord, vertegenwoordigd door M.J.J. Westerhout, ambtenaar bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewater.

Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wvo worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en de doelmatige werking van het betrokken zuiveringstechnische werk door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Het beroep van appellanten heeft betrekking op de vergunning, voorzover het betreft de nooduitlaat op het perceel [locatie] te [plaats].

2.3. Appellanten voeren aan dat verweerder ten onrechte heeft bepaald dat afvalwater afkomstig van nooduitlaten in het oppervlaktewater mag worden geloosd. Verder wijzen zij erop dat de sloot waarin de nooduitlaat uitmondt niet kan worden doorgespoeld. Het vorenstaande is volgens hen in strijd met het door verweerder vastgestelde beleid, zoals neergelegd in de Integrale Waterbeheersplannen 1 en 2 (hierna: IWBP 1 en 2), het Gemeentelijk Rioleringsplan 1995-1998 (hierna; GRP 1995-1998) en het Gemeentelijk Rioleringsplan 2000-2004 (hierna: GRP 2000-2004). In deze stukken is namelijk bepaald dat pompputten geen nooduitlaten mogen hebben en dat overstorten moeten worden gelokaliseerd aan doorspoelbaar oppervlaktewater van voldoende capaciteit, aldus appellanten. Verder stellen zij dat verweerder de sloot waarin de nooduitlaat uitmondt ten onrechte niet als “kwetsbaar water” heeft aangemerkt.

2.3.1. Verweerder meent dat de onderhavige vergunning niet in strijd is met het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende beleid.

2.3.2. In het aan de vergunning verbonden voorschrift 1.1, sub d is bepaald dat ingevolge de vergunning in het oppervlaktewater te brengen afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen uitsluitend mogen bestaan uit afvalwater afkomstig van nooduitlaten van het droogweerafvoer-stelsel van het gescheiden rioolstelsel, de mechanische riolering of het gemengd rioolstelsel.

In voorschrift 4.1 is bepaald dat de lozing als bedoeld in voorschrift 1.1, sub d, uitsluitend mag plaatsvinden ingeval van een calamiteit waarbij het rioolgemaal en/of pompput niet kan functioneren of de afvalwaterafvoer stagneert en de bergingscapaciteit van het rioolstelsel volledig is benut.

In voorschrift 4.2 is bepaald dat een dreigende lozing als bedoeld in voorschrift 1.1, sub d, door een hoogwateralarm vroegtijdig moet worden gemeld. In voorschrift 4.3. is onder meer voorgeschreven op welke wijze de alarmering moet worden gemeld en in voorschrift 4.4. is voorgeschreven op welke wijze de storing moet worden gesignaleerd.

2.3.3. Allereerst stelt de Afdeling vast dat de onderhavige vergunningaanvraag op 19 november 2001 is ingediend. Verweerder heeft daarom de aanvraag aan het GRP 2000-2004, en niet aan het GRP 1995-1998, getoetst, hetgeen niet in strijd met het recht is. Verder heeft verweerder onder meer het IWBP 2 in aanmerking genomen.

In het IWBP 2 is bepaald dat bij een nieuw aan te leggen mechanische riolering in beginsel geen nooduitlaten mogen worden aangebracht. Hiervan mag echter worden afgeweken, indien een adequate storingsmelding is geïnstalleerd. In de aan de vergunning verbonden voorschriften 4.2 tot en met 4.4 zijn regels opgenomen met betrekking tot de signalering en melding van een storing. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze storingsmelding adequaat is.

In het Waterhuishoudingsplan, het Milieuplan Zuid-Holland en de beleidsnota Rioleringsbeleid in het buitengebied, is de kwetsbaarheid van water aangegeven. Niet is gebleken dat verweerder zich niet op deze stukken heeft mogen baseren. Geconcludeerd moet worden dat de sloot waarin de nooduitlaat zich bevindt, niet als “kwetsbaar water” moet worden aangemerkt.

Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld dat verweerder terecht heeft gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met het ten tijde van het nemen van dit besluit geldende beleid.

Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Appellanten hebben ten aanzien van de gekozen locatie aangevoerd dat de sloot waarin de nooduitlaat uitkomt, niet goed doorspoelbaar is, waardoor schadelijke effluenten in het oppervlaktewater aanwezig blijven. Zij stellen dat het oppervlaktewater dat dichter bij de pompput is gelegen beter doorspoelbaar is dan de sloot waarin de nooduitlaat thans uitmondt.

2.4.1. Verweerder meent dat hij in redelijkheid heeft kunnen besluiten een vergunning te verlenen voor het uitmonden van de nooduitlaat op de desbetreffende sloot. Hij stelt dat de vergunning en de hieraan verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden terzake van de kwaliteit van het oppervlaktewater.

2.4.2. Vaststaat dat de nooduitlaat aan de [locatie] te [plaats] op slecht doorspoelbaar oppervlaktewater is gesitueerd. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in de directe omgeving van de pompput geen goed doorspoelbaar oppervlaktewater aanwezig is dat zonder ingrijpende technische maatregelen in aanmerking zou kunnen komen voor het plaatsen van een nooduitlaat. De onderhavige nooduitlaat treedt incidenteel in werking en de pompput is voorzien van een hoogwatersignalering. Dit laatste heeft ten doel dat in het geval een hoogwatersignaal wordt gegeven, vergunninghouder voldoende tijd heeft de pomp te vervangen, dan wel de afvoer van water per as te organiseren. Daarnaast zijn de voorschriften 10.1 en 10.2 aan de vergunning verbonden. In voorschrift 10.1 is bepaald dat vaste bestanddelen die ten gevolge van het gebruik van de vergunning achterblijven, zich vastzetten en/of verondiepingen veroorzaken, door en op kosten van vergunninghouder moeten worden verwijderd. In voorschrift 10.2 is bepaald dat ten gevolge van het gebruik van de vergunning geen blijvende visuele verontreiniging van het oppervlaktewater mag ontstaan.

Gelet op het vorenoverwogene is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de onderhavige vergunning en de hieraan verbonden voorschriften voldoende bescherming bieden terzake van de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.5. Appellanten voeren aan dat het signaleringssysteem aan het zicht wordt onttrokken doordat een tegel voor de signaallamp is geplaatst. Verder stellen zij dat bij vorst geen ijsvorming bij de nooduitlaat optreedt, hetgeen volgens hen inhoudt dat de pompput niet goed functioneert of dat ook andere uitlaten op de afvoerpijp zijn aangesloten. Daarnaast betogen zij dat vergunninghouder niet aan de aan de vergunning verbonden voorschriften kan voldoen, aangezien hij niet beschikt over een titel om het terrein van appellanten te betreden, waardoor diverse voorgeschreven werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd.

2.5.1. Ter zitting is gebleken dat de aan de vergunning verbonden voorschriften in beginsel kunnen worden nageleefd zonder het terrein van appellanten te betreden, zodat het beroep in zoverre feitelijke grondslag mist. De Afdeling stelt verder vast dat deze beroepsgronden geen betrekking hebben op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kunnen slagen. In dit verband wordt er nog op gewezen dat de Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th. G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

191-404.