Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-02-2003
Datum publicatie
26-02-2003
Zaaknummer
200200652/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 72
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 125
Burgerlijk Wetboek Boek 5 126
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/862
AB 2003, 251
M en R 2003, 91K

Uitspraak

200200652/1.

Datum uitspraak: 26 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging "Bewonersvereniging Schiedam-Oost", gevestigd te Schiedam,

2. [appellant sub 2a] te [plaats] en de vereniging "Vereniging van Eigenaren van de [locatie]”, gevestigd te Schiedam,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2000, kenmerk MBG 98043385/917, heeft verweerder krachtens artikel 72, tweede lid, van de Wet geluidhinder voor de gevels van de in het besluit genoemde woningen de ten hoogste toelaatbare waarde van de geluidsbelasting (hierna: MTG) vastgesteld vanwege industrieterrein Havens Noordwest en Oost-Frankenland.

Bij besluit van 28 november 2001, verzonden 21 december 2000, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van appellanten ongegrond verklaard, het bezwaar van de [vergunninghouder] gedeeltelijk gegrond verklaard en de in het besluit van 31 juli 2000, kenmerk MBG 98043385/917 vastgestelde MTG’s verhoogd voor nader genoemde woningen aan de Tuinlaan, de Makkerstraat, de Rotterdamsedijk en de Schiedamseweg.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brieven van 31 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 februari 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 18 maart 2002.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 24 juli 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Bij brief van 28 november 2002 heeft verweerder nader stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 december 2002,

waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C.I. Wong, ambtenaar van het ministerie en ing. C.T. Weevers, gemachtigde, zijn verschenen. Namens de [vergunninghouder] is het woord gevoerd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 146 van de Wet geluidhinder staat beroep op de administratieve rechter open overeenkomstig hoofdstuk 20 van de Wet milieubeheer.

2.1.2 Ingevolge artikel 20.13 van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan tegen een besluit ten aanzien waarvan afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is uitsluitend door een belanghebbende beroep worden ingesteld.

2.1.3 Ingevolge artikel 1:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt verstaan onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het tweede lid van dat artikel worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3 Gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, namelijk dat voor de daarin genoemde woningen MTG’s gaan gelden, kunnen in dit geval als belanghebbenden in de zin van vorengenoemd artikel 1:2 slechts worden aangemerkt degenen die uit hoofde van een bijzondere, rechtens te erkennen, relatie tot een of meer van deze woningen bezwaar hebben tegen de MTG’s.

2.3.1 De Bewonersvereniging Schiedam-Oost heeft als statutair doel het ontplooien van activiteiten ter verbetering van het woon- en leefmilieu in de wijk Schiedam-Oost, door middel van onder meer het behartigen van zowel de individuele als de collectieve belangen van bewoners in dit woongebied. Die doelstelling schept geen bijzonder, rechtens te erkennen, relatie tot één of meer van de betrokken woningen, zoals de bewoners/eigenaren van die woningen die wel hebben. De vereniging heeft uitsluitend bezwaar gemaakt en beroep ingesteld op eigen naam en is niet gemachtigd door één of meer belanghebbende bewoners/eigenaren. De Afdeling concludeert hieruit dat de Bewonersvereniging Schiedam-Oost geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht en dat zij ook niet namens belanghebbenden optreedt. Om die reden had verweerder het bezwaar van Bewonersvereniging Schiedam-Oost niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het besluit is wat dit betreft in strijd met de hiervoor genoemde bepalingen. Het beroep is gegrond. De bestreden beslissing op bezwaar dient in zoverre te worden vernietigd.

2.3.2 Wat de Vereniging van Eigenaren van de [locatie] betreft stelt de Afdeling vast dat die vereniging ingevolge artikel 126 van boek 5 van het Burgerlijk wetboek het beheer voert over de gemeenschap en zij, binnen de grenzen van haar bevoegdheid, de gezamenlijke appartementseigenaren in en buiten rechte kan vertegenwoordigen. Ingevolge artikel 125, tweede lid, van boek 5 van het Burgerlijk wetboek zijn de appartementseigenaren van rechtswege lid van die vereniging. Naar het oordeel van de Afdeling brengen deze elementen met zich dat de Vereniging van Eigenaren van de [locatie] een bijzondere, rechtens te erkennen, relatie heeft tot de woningen woningen, gelegen aan de [locatie]. Aldus is zij belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.4 Appellanten sub 2 voeren aan dat verweerder ten onrechte uitstel tot 1 januari 2008 heeft verleend aan [vergunninghouder] voor het uitvoeren van de saneringsmaatregelen die nodig zijn om te kunnen voldoen aan de MTG’s.

2.4.1 Blijkens het besluit heeft verweerder ingestemd met het verzoek van gedeputeerde staten om [vergunninghouder] uitstel van de uitvoering van de saneringsmaatregelen te verlenen tot 1 januari 2008 in verband met de komende modernisering van de inrichting, aangezien die modernisering de mogelijkheid biedt om met procesgeintegreerde maatregelen een belangrijke bijdrage te leveren aan de geluidreductie van dat bedrijf.

2.4.2 In artikel 3, eerste lid, van het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994 is bepaald dat maatregelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid slechts in een saneringsprogramma worden opgenomen voorzover de redelijke verwachting bestaat dat zij uiterlijk in het kalenderjaar 2002 zijn uitgevoerd.

In het tweede lid van dat artikel is bepaald dat de Minister op een met redenen omkleed verzoek van gedeputeerde staten kan toestaan, dat de in een saneringsprogramma opgenomen maatregelen na 31 december 2002 worden uitgevoerd.

2.4.3 De Afdeling gaat er op grond van het deskundigenbericht van uit dat van [vergunninghouder] redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat zij de ter voldoening aan de MTG’s noodzakelijke geluidreducerende maatregelen aan de glasovens en ventilatie- en afzuigsystemen reeds zou hebben uitgevoerd in het kalenderjaar 2002. Aldus was er aanleiding voor uitstel overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994. Ter zitting is voldoende aannemelijk gemaakt dat de reductie van de geluidemissie vooral door middel van procesgeintegreerde maatregelen dient te worden bereikt. Die maatregelen zijn slechts zinvol uit te voeren gelijktijdig met de vervanging van de installaties voor glasproductie. In het licht daarvan heeft verweerder, naar het oordeel van de Afdeling, de termijn in redelijkheid kunnen verlengen tot 1 januari 2008. Op grond van de stukken en de zitting is overigens aannemelijk dat de overige maatregelen, die eerder kunnen worden uitgevoerd, voor 1 januari 2008 zullen zijn uitgevoerd.

2.5 Appellanten sub 2 hebben de hoogte van de vastgestelde MTG’s betwist. Voor de inhoudelijke onderbouwing van die betwisting hebben zij in hun beroepschrift gewezen op een in aanvulling op het beroepschrift op te stellen motivering. Van een aanvullende motivering is echter niet gebleken.

2.6 Concluderend is het beroep van appellante sub 1 gegrond en is het beroep van appellanten sub 2 ongegrond. De Afdeling ziet aanleiding om ten aanzien van appellante sub 1 zelf in de zaak te voorzien op de wijze zoals is aangegeven onder 3. van deze uitspraak.

2.7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellante sub 1 gegrond;

II. vernietigt het besluit van 31 juli 2002, voorzover het bezwaar van de Bewonersvereniging Schiedam-Oost ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het bezwaarschrift van de Bewonersvereniging Schiedam-Oost alsnog niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dat is vernietigd;

V. verklaart het beroep van appellanten sub 2 ongegrond;

VI. gelast dat het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan appellante sub 1 het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2003

157.