Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4760

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200201758/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201758/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. De stichting "Stichting Behoud Laagveld", gevestigd te Roosendaal,

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats], alsmede de afzonderlijke [maten], wonend te [woonplaats],

3. De stichting "Stichting Keerpunt", gevestigd te Roosendaal,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2001 heeft de gemeenteraad van Roosendaal, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 juni 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Laagveld".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 29 januari 2002, nr. 771520, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 27 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2002, appellanten sub 2 bij brief van 27 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 maart 2002, en appellante sub 3 bij brief van 27 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 april 2002, beroep ingesteld. Appellante sub 1 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 18 april 2002.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 september 2002 (hierna: het deskundigenbericht). Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante sub 1. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2002, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo, appellanten sub 2, in persoon van [maat] en bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooy, advocaat te ’s-Hertogenbosch, appellante sub 3, vertegenwoordigd door [bestuursleden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.F.M. Vos, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord, de gemeenteraad van Roosendaal, vertegenwoordigd door mr. J.C.P.J.M. Vergouwen, ambtenaar bij de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Amstelland Ontwikkeling Wonen B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied is gelegen ten oosten van Roosendaal en ten zuiden van de Rucphensevaart. Met het plan wordt beoogd de bouw van een woonwijk van 350 woningen met hoofdzakelijk vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen mogelijk te maken. Hiertoe is aan een groot deel van het plangebied de bestemming “Woondoeleinden” toegekend. Deze bestemming dient uitgewerkt te worden.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten sub 1 en sub 3 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Zij zijn van mening dat de mogelijkheid binnen het plangebied woningen te bouwen de natuurwaarden ter plekke zal aantasten. Zo bevinden zich volgens appellanten beschermde dieren en planten binnen het plangebied. Bovendien is onvoldoende onderzoek verricht naar de gevolgen van het plan op deze waarden en op de Rucphense bossen. Niet duidelijk is of er compenserende maatregelen getroffen zullen worden, aldus appellanten. Ook is een ontheffing op grond van de Natuurbeschermingswet en/of artikel 75 van de Flora- en faunawet noodzakelijk. Verder vrezen appellanten dat het plan de waterhuishouding negatief zal beïnvloeden en menen zij dat er alternatieve woningbouwlocaties zijn. Ten slotte stellen zij dat één bestemmingsplan voor het gebied Laagveld had moeten worden vastgesteld.

Appellanten sub 2 hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de aanduiding “hindercirkel agrarisch bedrijf” zoals aangegeven op plankaart A en aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden” gelegen binnen de hindercirkel van het bedrijf. Hiertoe voeren zij aan dat de noodzaak van het plan niet is aangetoond. Appellanten stellen voorts dat hun uitbreidingsmogelijkheden door het plan beperkt zullen worden en dat het woon- en leefklimaat in de woningen aangetast zal worden. In dit verband merken zij op dat bij het bepalen van de hindercirkel gemeten moet worden vanaf de rand van het bouwblok. Gelet op toekomstige welzijnsregelgeving voor kippen zal de hinder alleen maar toenemen. Ten slotte zijn zij bevreesd voor wateroverlast op hun gronden.

2.3.1. De gemeenteraad heeft aan een groot deel van het plangebied de bestemming “Woondoeleinden” toegekend. De gemeenteraad is van mening dat er geen bijzondere natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn behalve die welke samenhangen met de waterlopen. Indien deze wel aanwezig zijn zullen eventueel maatregelen getroffen worden deze waarden te beschermen. Voorts is in de ogen van de gemeenteraad kwalitatief en kwantitatief de noodzaak van het plan aangetoond. De invloed van het plan op het watersysteem zal ten opzichte van de bestaande toestand minimaal zijn. De gemeenteraad stelt zich wat betreft het agrarisch bedrijf van appellanten sub 2 op standpunt dat gelet op de grootte van de hindercirkel en gelet op het feit dat het aan appellanten niet is toegestaan binnen een afstand van 15 meter uit de as van de weg te bouwen, er geen sprake is van een belemmering van de bedrijfsvoering.

2.3.2. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan goedgekeurd. Hij is van mening dat de noodzaak van het plan in voldoende mate is aangetoond. Voorts erkent hij dat het plan een zekere aantasting van de natuurwaarden tot gevolg zal hebben maar hij is van mening dat deze aantasting niet zodanig is dat het plan geen doorgang kan vinden. Bovendien is verweerder van mening dat het effect van het plan op de waterhuishouding niet of nauwelijks merkbaar is. Ten aanzien van het bedrijf van appellanten sub 2 overweegt hij dat de bebouwing binnen de hindercirkel thans niet expliciet is uitgesloten, maar dat dit niet tot strijd met een goede ruimtelijke ordening behoeft te leiden, omdat dit in het uitwerkingsplan nader geregeld kan worden.

2.3.3. Blijkens provinciale woningbehoefteberekeningen kan in 2005 in de gemeente Roosendaal de woningvoorraad maximaal 31.780 woningen bedragen. In 2009 moet deze voorraad 33.955 woningen zijn. Uit de stukken volgt dat reeds in 2000 de woningvoorraad ongeveer 31.800 woningen bedroeg.

Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is onderzoek verricht naar de woningbehoefte in Roosendaal. Het betreft het onderzoek “Woningmarktanalyse” van februari 2000. Uit dit onderzoek blijkt onder meer dat er in 2005 en 2010 een tekort aan koopwoningen zal zijn van respectievelijk 3100 en 4100 woningen. Ook is er sprake van een behoefte aan bouwkavels. Dit betekent dat er een grotere woningbehoefte, met name in kwalitatieve zin, bestaat dan uit de provinciale woningbehoefteberekeningen volgt.

Niet gebleken is dat deze conclusies onjuist zijn. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van hun besluit niet had mogen baseren. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de noodzaak tot ontwikkeling van een woonlocatie als die van het plan Laagveld voldoende is aangetoond.

2.3.4. Blijkens de stukken is het plangebied een vrijwel geheel open agrarisch gebied. Door de lage ligging is het plangebied nat. In de lagere delen komt kwelflora voor. De hogere delen zijn in gebruik als akkerbouwgrond.

Uit de bij het streekplan Noord-Brabant (1992) behorende plankaart 2 is af te leiden dat het plangebied wordt gerekend tot de “agrarische hoofdstructuur”. De gronden zijn daarnaast aangemerkt als “agrarisch ontwikkelingsgebied voor vollegrondsgroenteteelt”. Ten oosten van het plangebied liggen de Rucphense bossen. Deze bossen behoren blijkens het streekplan tot de groene hoofdstructuur.

Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is een veldonderzoek verricht in het gebied Laagveld. Het betreft het onderzoek “Inventarisatie natuurwaarden Laagveld” (G. Lubbers, nota 135, 2001). Uit dit onderzoek blijkt dat de natuurwaarden wat betreft de flora geconcentreerd zijn langs de perceelsranden en waterlopen. In het plangebied bevinden zich voorts verschillende soorten kikkers. Verder is uit dit onderzoek gebleken dat in het plangebied onder meer patrijzen en roodborsttapuiten voorkomen.

Deze twee soorten worden vermeld op de door de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vastgestelde zogenoemde Rode Lijst van 27 januari 1994 (Stcr. 20), nr. J.941773, een nationale lijst van met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende soorten als bedoeld in bijlage V van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG).

2.3.4.1. De Afdeling overweegt als volgt.

Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat het plan een zekere aantasting van de natuurwaarden tot gevolg zal hebben, doch hij acht deze aantasting niet zodanig dat een groter gewicht moet worden toegekend aan het belang dat is gediend bij de realisering van deze woningbouwlocatie dan aan het belang van de bescherming van de natuurwaarden. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. In dit verband is van belang dat niet is gebleken dat het onderzoek “Inventarisatie natuurwaarden Laagveld” zodanige gebreken vertoont dat verweerder zich hierop bij het nemen van hun besluit niet had mogen baseren. Voorts merkt de Afdeling in dit verband op dat het feit dat de patrijs en roodborsttapuit worden vermeld op de Rode Lijst niet leidt tot een andersluidend oordeel. Daarbij is mede van betekenis dat het voorkomen van een soort op de Rode Lijst niet betekent dat speciale beschermende bepalingen van kracht zijn. De Afdeling heeft bij haar oordeel verder in aanmerking genomen dat de afstand tussen het plangebied en de Rucphense bossen zodanig is dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen invloed zal hebben op deze bossen. De Afdeling volgt verder het standpunt van verweerder dat geen verplichting bestaat het verlies aan deze waarden te compenseren. Daarbij neemt zij in aanmerking dat het plangebied niet ligt in de groene hoofdstructuur en niet een hoofdfunctie bos of natuur heeft.

2.3.5. Ten aanzien van het betoog van appellanten sub 1 dat op grond van de Natuurbeschermingswet en/of artikel 75 van de Flora- en faunawet ontheffing moet worden verleend, overweegt de Afdeling dat verweerder het plan niet heeft kunnen goedkeuren indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat op grond van deze wetten geen ontheffing zou kunnen worden verleend. Verweerder heeft zich deze vraag in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan gesteld. Hij stelt dat in het gehele gebied Laagveld voldoende leefomgeving resteert en dat niet is te verwachten dat de benodigde ontheffingen niet zullen worden verleend. De Afdeling ziet geen reden om hierover anders te oordelen.

2.3.6. Blijkens de stukken is mede gelet op de lage ligging en het natte karakter van het plangebied een waterhuishoudingsplan opgesteld ten einde de effecten van het plan op de waterhuishouding te minimaliseren. Uit dit plan volgt dat de grondwaterstand zo min mogelijk zal worden verlaagd en dat maatregelen worden getroffen regenwater van afvalwater te scheiden en regenwater vast te houden.

De Afdeling stelt vast dat er veranderingen zullen optreden wat betreft de waterhuishouding. Gelet op het feit dat de maatregelen getroffen in het kader van het waterhuishoudingsplan tot gevolg hebben dat de effecten op de waterhuishouding geminimaliseerd worden, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het effect van het plan op de waterhuishouding in het gebied beperkt is. In dit verband merkt de Afdeling op dat appellanten sub 2 niet aannemelijk hebben gemaakt dat het plan leidt tot een aanmerkelijk hogere waterstand op hun gronden.

2.3.7. Ten aanzien van het betoog van appellanten dat één bestemmingsplan voor het gebied Laagveld had moeten worden vastgesteld overweegt de Afdeling dat gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de gemeenteraad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan.

Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de gemeenteraad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De Afdeling is gelet op de stukken van oordeel dat in dit geval verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat hij deze ook overigens terecht heeft goedgekeurd. In dit verband overweegt de Afdeling dat niet gebleken is van een zodanige samenhang met het overige deel van het gebied Laagveld dat dit plan niet afzonderlijk kon worden vastgesteld.

2.3.8. Op de plankaart is met de aanduiding “hindercirkel agrarisch bedrijf” de hindercirkel van het ten zuiden van het plangebied gelegen bedrijf van appellanten sub 2 aangegeven. Niet in geding is dat de straal van de hindercirkel van het pluimveebedrijf van appellanten 265 meter is, en dat in principe vanaf de rand van het bouwblok van appellanten moet worden gemeten. De afstand tussen het bouwblok van het bedrijf, zoals aangegeven op de plankaart behorende bij het bij besluit van de gemeenteraad van 20 december 2001 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied Laagveld”, en de hindercirkel is minder dan 265 meter, doch hierbij is rekening gehouden met een vrij te houden strook langs de weg waaraan het bedrijf ligt, de Langeveldsestraat. De afstand van de hindercirkel tot de as van de Langeveldsestraat bedraagt 250 meter.

Uit artikel 14.1 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied Laagveld” volgt dat voor bebouwing van de langs lokale wegverbindingen gelegen gronden een afstand van 15 meter uit de as van de rijbaan in acht moet worden genomen. Uit artikel 14.2 van de planvoorschriften volgt evenwel dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen teneinde af te kunnen wijken van de in artikel 14.1 voorgeschreven afstand, mits sprake blijft van voldoende verkeersveiligheid.

Ter zitting heeft de gemeenteraad zich op het standpunt gesteld dat gezien de feitelijke situatie ter plekke vrijstelling als bedoeld in artikel 14.2 van de planvoorschriften niet zal worden verleend. Het bedrijf heeft aldus tot op een afstand van 265 meter van de op de plankaart aangegeven hindercirkel de mogelijkheid te bouwen.

Gelet op het vorenstaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat de stankcirkel van het bedrijf van appellanten onjuist op de plankaart is aangegeven.

2.3.9. Blijkens de plankaart is aan de gronden binnen de hindercirkel de bestemming “Woondoeleinden” toegekend. Uit artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften volgt dat deze gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, verkeersdoeleinden, groenvoorzieningen, infiltratievoorzieningen en voorzieningen van openbaar nut. Uit artikel 6, tweede lid, van de planvoorschriften volgt dat burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening deze bestemming uitwerken met inachtneming van de uitwerkingsregels. In deze uitwerkingsregels is niet opgenomen dat het niet mogelijk is te bouwen binnen de hindercirkel van het bedrijf van appellanten. Uit deze regels volgt verder dat tot het tijdstip waarop het uitgewerkte plan rechtskracht heeft verkregen niet mag worden gebouwd, tenzij het bouwplan in overeenstemming is met het voor het plangebied vast te stellen uitgewerkte plan dat ter inzage is gelegd en mits van verweerder een verklaring van geen bezwaar is ontvangen.

Gelet op het voorgaande is het niet mogelijk op basis van dit plan in het plangebied te bouwen. Aangezien de bestemming “Woondoeleinden” de verwezenlijking van diverse doeleinden en voorzieningen mogelijk maakt, bestaat voorts de mogelijkheid de gronden met deze bestemming zodanig in te richten dat er geen stankgevoelige bebouwing binnen de hindercirkel van het bedrijf van appellanten kan worden opgericht. De Afdeling ziet dan ook geen grond om te oordelen dat het plan op dit punt in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Overigens is ter zitting van de zijde van de gemeenteraad toegezegd dat het uitwerkingsplan geen bouwmogelijkheden binnen de cirkel mogelijk zal maken.

Voorts stelt de Afdeling vast dat het bedrijf ten zuiden van de huidige bedrijfsbebouwing ruimte heeft uit te breiden. Niet is aannemelijk gemaakt dat door toekomstige dierenwelzijnsregelgeving de hinder veroorzaakt door het bedrijf, met name in de vorm van geluidsoverlast, zal toenemen.

Voor een beperking van de bedrijfsvoering van appellanten ten gevolge van het plan behoeft gelet op het vorenstaande niet te worden gevreesd.

2.3.10. Ten aanzien van de door appellanten naar voren gebrachte alternatieve locaties voor de bouw van woningen, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.4. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van appellanten zijn derhalve ongegrond.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

234-316.