Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4755

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200204169/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204169/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 1996 heeft de gemeenteraad van Gorssel, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

8 oktober 1996, het bestemmingsplan “Buitengebied, correctieve herziening” vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 12 juni 1997, no. RG96.61353, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 12 april 2001, no. E01.97.0376, heeft de Afdeling dit besluit onder meer vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met betrekking tot de gronden aan de [locatie].

Bij besluit van 28 mei 2002, no. RE2001.36534, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van de desbetreffende plandelen.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 1 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op 1 augustus 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 september 2002.

Bij brief van 11 oktober 2002 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2002, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. J.H. Hermsen, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.S.W. Lucassen, advocaat te Zutphen, zijn verschenen. De gemeenteraad van Gorssel is met bericht van verhindering niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan betreft een herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied”, dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Gorssel op

27 augustus 1987.

Het plan voorziet onder meer in een aangepaste regeling voor zomerhuizen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plandeel met de bestemming “Zomerhuizen (Z)” dat betrekking heeft op het perceel [locatie], goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. Bij uitspraak van 12 april 2001, no. E01.97.0376, heeft de Afdeling geoordeeld dat de beslissing van verweerder van 12 juni 1997 om goedkeuring te verlenen aan het plandeel dat betrekking heeft op de [locatie], onzorgvuldig is voorbereid en dat verweerder in strijd met

artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gehandeld. Verweerder is ten onrechte uitgegaan van het feit dat het perceel [locatie] geen eigen volwaardige ontsluiting heeft, zo overwoog de Afdeling in deze uitspraak.

2.5. Verweerder heeft geen reden gezien het plandeel dat betrekking heeft op het perceel [locatie] in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft dit plandeel opnieuw goedgekeurd. Het college blijft zich op het standpunt stellen dat bij het perceel [locatie] sprake is van een vakantiewoning. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat het gebouw als vakantiewoning wordt gebruikt. Tevens is van belang geacht dat, hoewel het gebouw voldoet aan het omvangcriterium en het perceel een eigen volwaardige ontsluiting heeft, de andere criteria als aard, karakter en ligging in de richting van een recreatiewoning wijzen. Het college stelt zich voorts op het standpunt dat het perceel [locatie] geen twijfelgeval is.

2.6. Appellant heeft bezwaren tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming “Zomerhuizen (Z)” dat het perceel [locatie] betreft. Hij voert hiertoe aan dat de desbetreffende woning voldoet aan het omvangcriterium en het perceel een eigen volwaardige ontsluiting heeft. Verder betoogt appellant dat verweerder ten onrechte de voorzieningen, het wooncomfort en de constructie van de woning niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Hij is voorts van mening dat nu het perceel [locatie] wel een twijfelgeval is, dit perceel net als de overige vijf percelen alsnog voor woondoeleinden moet worden bestemd.

2.7. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat niet in geschil is dat de woning op het perceel [locatie] met een oppervlakte van 79,7 m² voldoet aan het omvangcriterium en het perceel een eigen volwaardige ontsluiting heeft.

Het perceel ligt in een merendeels agrarisch gebied op 250 meter van de Dortherweg en grenst aan de rand van een bebost terrein van ongeveer

1,5 ha. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting beschikt het houten pand over een moderne badkamer, een doucheruimte en een toilet, drie vaste slaapkamers en een slaapkamer op de tweede bouwlaag, een hal met een vaste trap naar de tweede bouwlaag, een grote woonkamer en een keuken met bijkeuken. Verder zijn in het pand gas en elektra aanwezig.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het pand [locatie] voldoet aan de criteria die verweerder hanteert om een woonbestemming toe te kennen.

2.8. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met betrekking tot het perceel [locatie] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door dit plandeel goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling acht termen aanwezig om zelf te voorzien.

2.9. Verweerder dient op na te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 mei 2002, no. RE2001.36534, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Zomerhuizen (Z)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie];

III. onthoudt goedkeuring aan het plandeel met de bestemming “Zomerhuizen (Z)”, dat het perceel [locatie] betreft;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder II bepaalde;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 665,82, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.H. Lauwaars, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Lauwaars w.g. Kooijman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

177-427.