Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200206064/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206064/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Eijsden het bestemmingsplan "Kom Gronsveld" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 september 2002, kenmerk 2002/36988, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 13 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2003, waar appellant en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G.L. Kluter, ambtenaar bij de provincie, zijn verschenen. Verder is namens de gemeenteraad van Eijsden mr. J. Starren, ambtenaar bij de gemeente, verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan bevat een nieuwe planologische regeling voor de bebouwde kom van Gronsveld.

2.2. Verweerder heeft het plan gedeeltelijk goedgekeurd.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. Het beroep van appellant is gericht tegen de goedkeuring van de bestemming “Watergang” en de aanduiding “beschermingszone watergang” voor zijn perceel kadastraal bekend als gemeente Gronsveld. Deze bestemming moet de aanleg van een regenwaterbuffer op het perceel mogelijk maken. Appellant is van mening dat de regenwaterbuffer niet op zijn perceel, maar ten oosten van de Voerenweg, in het buitengebied, gerealiseerd zou moeten worden. Hij stelt dat de gemeenteraad en verweerder hiernaar onvoldoende onderzoek hebben verricht. Verder brengt appellant naar voren dat zijn perceel van cultuurhistorische waarde is. Deze waarde zal door de aanleg van de regenwaterbuffer verdwijnen.

2.5. De gemeenteraad heeft overwogen dat de aanleg van een regenwaterbuffer aan de oostzijde van Gronsveld noodzakelijk is om bodemerosie en wateroverlast in het gebied te bestrijden. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat het perceel van appellant de enige plaats is die hiervoor geschikt is. Verder zullen maatregelen worden getroffen om de waarden van het gebied zoveel mogelijk te behouden.

2.6. Verweerder sluit zich aan bij de overwegingen van de gemeenteraad. Hij is van mening dat in dit geval meer gewicht kon worden toegekend aan het algemene belang bij het bestrijden van bodemerosie en wateroverlast dan aan het individuele belang van appellant bij het behoud van zijn perceel in de bestaande situatie.

2.7. Vast staat dat de aanleg van een regenwaterbuffer aan de oostzijde van Gronsveld noodzakelijk is voor de waterhuishouding in en rondom het gebied. Partijen verschillen van mening over de vraag of het perceel van appellant hiervoor in redelijkheid kon worden aangewezen.

Appellant heeft, ook ter zitting, gewezen op alternatieve plaatsen voor een of meerdere regenwaterbuffers. Het bestaan van deze alternatieven kan echter op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestreden plandeel. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet.

Het perceel van appellant ligt aan de oostzijde van Gronsveld, aan de rand van de bebouwde kom. Het perceel is thans grotendeels in gebruik als boomgaard. Op grond van de stukken moet worden aangenomen dat het perceel door zijn ligging zeer geschikt is om de toestroom van regenwater uit verschillende richtingen, stromend vanuit de hoger gelegen gebieden, op te vangen. Vast staat dat het perceel van appellant enige cultuurhistorische waarde heeft. Ter zitting is gebleken dat een deel van het perceel van appellant, na aanleg van de regenwaterbuffer, gebruikt zal worden voor groenvoorzieningen. De Afdeling acht aannemelijk dat de regenwaterbuffer hierdoor in het landschap kan worden ingepast en de karakteristiek van het gebied hiermee kan worden ontzien.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen stellen dat van ernstige bezwaren tegen de bestemming “Watergang” en de aanduiding “beschermingszone watergang” voor het perceel van appellant geen sprake is. De alternatieven waar appellant naar verwijst, wat hier verder ook van zij, heeft verweerder dan ook op goede gronden buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van het bestreden plandeel.

2.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

2.9. Het beroep van appellant is ongegrond.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Nollen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Nollen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

332.