Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200102004/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 89K
Gst. 2003, 112
Module Ruimtelijke ordening 2003/136

Uitspraak

200102004/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de Vereniging Milieudefensie, gevestigd te Enschede,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. [appellante sub 6], gevestigd te [plaats],

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellanten sub 8], wonend te [woonplaats],

9. [appellante sub 9], gevestigd te [plaats],

10. de Stichting Bevordering Eenheid onder Gelovigen, gevestigd te

Ambt Delden,

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

12. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],

13. [appellanten sub 13], wonend te [woonplaats],

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

en

gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2000 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Ambt Delden (thans de gemeente Hof van Twente), op voorstel van burgemeester en wethouders van 20 juli 2000, vastgesteld het bestemmingsplan "Buitengebied".

Verweerders hebben bij hun besluit van 13 maart 2001, RWB/2000/2870, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld.

Bij brief van 22 augustus 2001 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 27 juni 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 3, 10 en 11, en Stichting De Hoffmeijer. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2002, waar appellanten, behoudens [appellant sub 3], [appellant sub 4], en [appellanten sub 13], in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook verweerders en de gemeenteraad hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plan heeft betrekking op het buitengebied van de voormalige gemeente Ambt Delden met uitzondering van de bebouwde kommen van de plaatsen Bentelo, Delden en Hengevelde. Met het plan wordt beoogd voor het gebied een nieuwe planologische regeling te geven. Bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan grotendeels goedgekeurd.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.3. Het beroep van [appellant sub 11] dat is gericht tegen de goedkeuring door verweerders van de bestemming “Recreatiewoning” voor het perceel [locatie 1], steunt niet op een bij verweerders ingebrachte bedenking.

De door [naam rechtspersoon] ingebrachte bedenkingen zijn niet namens

[appellant sub 11] ingediend.

Het beroep van [appellant sub 7], dat is gericht tegen de goedkeuring door verweerders van het bebouwingsvlak voor het perceel [locatie 2], steunt evenmin op een bij verweerders ingebrachte bedenking.

2.3.1. In het stelsel, neergelegd in artikel 28, zevende lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een bij gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een bedenking in te brengen.

Deze uitzonderingen doen zich hier niet voor.

De beroepen van [appellant sub 11] en [appellant sub 7] zijn dan ook

niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.

2.5. [appellant sub 1] stelt dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd, omdat zijn loods aan de [locatie 3] daarin niet als zodanig is bestemd. Appellant pleit voor een uitbreiding van het toegekende bouwperceel. Hij beroept zich daarbij op een toezegging van een wethouder.

2.5.1. De gemeenteraad heeft aangegeven dat het gaat om een illegaal gebouwde loods en dat uitbreiding van het bouwblok in strijd is met het provinciaal beleid.

2.5.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van ander gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, en dat nieuwe activiteiten - nadat daartoe een procedure is doorlopen - alleen zijn toegestaan binnen de bestaande bebouwing. Uitbreiding is niet mogelijk.

2.5.3. Op grond van het streekplan Overijssel 2000+ (hierna: het streekplan) dient een loonbedrijf te worden aangemerkt als een niet functioneel aan de groene ruimte gebonden gebruiksvorm. Volgens het streekplan dient uitbreiding van niet functioneel aan de groene ruimte gebonden gebruiksvormen te worden tegengegaan. De in het streekplan voorziene uitzonderingen op dit beleid gelden expliciet niet voor bedrijvigheid die zich in vrijgekomen agrarische bebouwing heeft gevestigd. Het streekplanbeleid ten aanzien van het gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen staat uitbreiding van de bestaande bebouwing niet toe.

De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat appellant zich in 1993 heeft gevestigd op het bedrijfsperceel van het voormalige agrarisch bedrijf [locatie 3]. In 1999 heeft appellant zonder bouwvergunning en in strijd met het destijds geldende bestemmingsplan ter plaatse een loods gebouwd voor de opslag van machines van zijn loonbedrijf. Het in het plan opgenomen bebouwingsvlak voorziet niet in deze loods. Het toekennen van een bebouwingsvlak ten behoeve van de loods is in strijd met het streekplan. Niet gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden die in dit geval een uitzondering op dit beleid zouden rechtvaardigen.

Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat door of namens het gemeentebestuur verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in uitbreiding van het bouwperceel. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerders bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden.

Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

2.6. De Vereniging Milieudefensie stelt dat verweerders het plan ten onrechte hebben goedgekeurd. Zij voert aan dat het plan uitbreiding mogelijk maakt van agrarische bedrijven nabij waardevol bos- en natuurgebied, waardoor een toename van de ammoniakemissie kan optreden. Volgens appellante is het plan in zoverre in strijd met de Richtlijn 91/676 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (hierna te noemen: de Nitraatrichtlijn).

Appellante is voorts van mening dat het plan onvoldoende bescherming biedt aan kleinere bos- en landschapselementen die belangrijke landschappelijke en natuurlijke waarden hebben en in het voorheen geldende plan als zodanig waren bestemd.

2.6.1. De gemeenteraad stelt dat bij de aanwijzing van bouwpercelen rekening is gehouden met de aanwezige landschapswaarden en de omvang van het agrarisch bedrijf. Het toekennen van bouwpercelen van 1-1,5 ha is in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid.

De gemeenteraad stelt verder dat de bosgebieden die groter zijn dan 1 ha in het plan als zodanig zijn bestemd. De bosgebieden die kleiner zijn dan 1 ha worden beschermd door het aanlegvergunningstelsel dat is verbonden aan de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden”. Daarnaast vindt bescherming plaats via de bomenverordening.

2.6.2. Verweerders hebben geen reden gezien deze plandelen in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben deze goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat bij het toekennen van de bestemmingen voldoende rekening is gehouden met de aanwezige natuur- en landschapswaarden en dat het plan voorziet in een adequaat aanlegvergunningstelsel.

2.6.3. Ten aanzien van het betoog van appellante dat het plan in strijd is met de Nitraatrichtlijn, overweegt de Afdeling het volgende.

De Nitraatrichtlijn heeft volgens artikel 1 ten doel de waterverontreiniging die wordt veroorzaakt of teweeggebracht door nitraten uit agrarische bronnen en verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen. Hiertoe dienen lidstaten volgens artikel 3 vast te stellen welke wateren door verontreiniging worden beïnvloed of zouden kunnen worden beïnvloed, en dienen zij de gronden die afwateren in deze wateren en die bijdragen aan verontreiniging aan te wijzen als kwetsbare zones. In dit verband is het gehele grondgebied van Nederland aangemerkt als kwetsbare zone. Lidstaten dienen voorts op grond van artikel 4 van deze richtlijn codes van goede landbouwpraktijken op te stellen en zo nodig een programma van opleiding en voorlichting op te zetten. Op grond van artikel 5 dienen ter bereiking van de doelstellingen van artikel 1, voor de aangewezen wateren actieprogramma’s te worden opgesteld. Deze dienen onder meer de maatregelen als genoemd in bijlage III bij de richtlijn te bevatten.

De Afdeling overweegt dat het enkele feit dat het bestemmingsplan uitbreiding van agrarische bedrijven mogelijk maakt, niet tot gevolg heeft dat noodzakelijkerwijs een toename van de ammoniakemissie in strijd met de Nitraatichtlijn zal plaatsvinden. De tekst van deze richtlijn kan derhalve in het algemeen geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of het plan al dan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Verweerders hebben in dit geval geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat de richtlijn een beletsel vormde voor goedkeuring van het plan.

2.6.3.1. Voor zover het beroep van appellante moet worden opgevat als gericht tegen de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven nabij waardevol bos- en natuurgebied, overweegt de Afdeling het volgende.

Blijkens de plantoelichting heeft het gemeentebestuur er voor gekozen om in principe alle reeds in het vigerende bestemmingsplan toegekende agrarische bouwpercelen te handhaven, en aan alle volwaardige agrarische bedrijven een bouwperceel van circa 1 ha toe te kennen. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat de gemeente de omvang van de agrarische bouwpercelen vrij nauwkeurig heeft afgestemd op de feitelijke omvang van de agrarische bedrijven ten tijde van de opstelling van het plan. Het plan voorziet daarnaast in een wijzigingsbevoegdheid die een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel tot 1,5 ha mogelijk maakt. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder g, in samenhang met artikel 29, tweede lid van de planvoorschriften geldt daarbij onder meer als voorwaarde dat de waarden en functies van de betrokken en nabijgelegen gronden, welke het plan beoogt te beschermen, door de gebruiksverandering niet onevenredig worden geschaad. Bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ten aanzien van agrarische bouwpercelen dient derhalve uitdrukkelijk rekening te worden gehouden met de gevolgen van een toename van de ammoniakemissie voor in de nabijheid van het bouwperceel gelegen waardevol bos- en natuurgebied. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Vereniging Milieudefensie is in zoverre ongegrond.

2.6.3.2. Ingevolge artikel 6, derde lid, onder i, van de planvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van de bouwvoorschriften voor gronden met de bestemming “Agrarische gebieden”, ten behoeve van het overschrijden van de grenzen van een agrarisch bouwperceel tot op een afstand van maximaal 25 meter van de grens van het bouwperceel. Burgemeester en wethouders dienen daarbij de volgende voorwaarden in acht te nemen:

- de overschrijding dient uit bedrijfseconomisch oogpunt noodzakelijk te zijn;

- er dient sprake te zijn van een reële bouwbehoefte;

- de aanwezige landschapswaarden mogen niet onevenredig worden geschaad;

- er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het aanwezige woon- en leefklimaat.

De vrijstellingsbevoegdheid berust op artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met dit artikel is beoogd burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen af te wijken van het plan. De Afdeling stelt vast dat in het plan geen maximale bebouwingspercentages zijn opgenomen en dat de formulering van artikel 6, derde lid, onder i, van de planvoorschriften niet uitsluit dat het bouwperceel in meerdere richtingen wordt overschreden. Derhalve kunnen burgemeester en wethouders met toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheid een aanzienlijke uitbreiding van het bouwperceel toestaan. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Door dit onderdeel van het plan niettemin goed te keuren, hebben verweerders gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit onderdeel van het beroep van de Vereniging Milieudefensie is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Nu er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, ziet de Afdeling aanleiding goedkeuring te onthouden aan artikel 6, derde lid, onder i, van de planvoorschriften.

2.6.4. Ten aanzien van de tweede beroepsgrond van appellant overweegt de Afdeling als volgt.

Een groot aantal gebieden met bos- en landschapselementen waaraan in het voorheen geldende plan de bestemming “Bos”, “Bos met natuurwetenschappelijke waarden” en “Houtsingel” was toegekend, is in het plan bestemd als “Agrarisch gebied met landschapswaarden”. Ingevolge de doeleindenomschrijving bij deze bestemming zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en voor de bescherming en ontwikkeling van landschapswaarden. De landschapswaarden bestaan uit een aantal karakteristieken die als zodanig op de plankaart “landschapswaardering” zijn aangegeven met de lettercodes “b” (beplantingselementen), “h” (hoogteverschillen), “o” (openheid), “r” (rustige omstandigheden/onverharde wegen) of “w” (waardevolle waterhuishoudkundige situatie). Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder 1, van de planvoorschriften, is het verboden, voor zover hier van belang, zonder of in afwijking van een aanlegvergunning, in gebieden met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” die op de plankaart “landschapswaardering” zijn aangegeven met de lettercode “b”, houtgewas te vellen of te rooien.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het in artikel 6, vierde lid, onder 1, van de planvoorschriften opgenomen aanlegvergunningstelsel voldoende bescherming biedt en dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Gebleken is echter dat in een aantal gebieden met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” beplantingselementen voorkomen die op de kaart “landschapswaardering” niet zijn voorzien van de lettercode “b”. Voor deze gebieden geldt derhalve geen aanlegvergunningvereiste voor het vellen en rooien van houtgewas. Verweerders hebben niet duidelijk gemaakt waarom voor deze gebieden geen aanlegvergunningvereiste moet gelden. Aan de Bomenverordening gemeente Hof van Twente komt in dit verband geen betekenis toe nu deze verordening geen onderdeel vormt van de bij het plan behorende voorschriften en derhalve niet vast staat voor welke duur en in welke mate deze verordening bescherming biedt. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit onderdeel van het beroep van de Vereniging Milieudefensie is gegrond zodat het bestreden besluit moet worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 1.

2.7. [appellant sub 3] stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voor zover daarin de woning [locatie 4], die als burgerwoning in gebruik is, is opgenomen in het bebouwingsvlak van zijn paardenhouderij aan de [locatie 5]. Hij voert aan dat verweerders ten onrechte hebben aangenomen dat de woning als bedrijfswoning tot stand is gekomen. Appellant wenst een zelfstandig agrarisch bouwperceel waardoor de mogelijkheid voor de bouw van een tweede bedrijfswoning ontstaat.

2.7.1. De gemeenteraad stelt dat de woning [locatie 4] is gebouwd ter vervanging van een andere agrarische bedrijfswoning en derhalve onderdeel dient uit te maken van het bouwperceel. In de plantoelichting is aangegeven dat de gemeente een actief ontmoedigingsbeleid voert om te voorkomen dat een tweede bedrijfswoning als burgerwoning gebruikt gaat worden. In het plan zijn tweede bedrijfswoningen die zijn vervreemd van het agrarisch bedrijf binnen het bouwperceel geprojecteerd.

2.7.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Op basis van historisch onderzoek hebben zij zich op het standpunt gesteld dat het huidige pand [locatie 4] is gebouwd als tweede bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf [locatie 6] en dat het pand [locatie 6] later is vervangen door een nieuwe bedrijfswoning [locatie 5].

Verweerders achten het gerechtvaardigd dat de gemeente een eenmaal als bedrijfswoning totstandgekomen pand niet los wil zien van zijn ontstaansgeschiedenis. Zij stellen dat afsplitsing zou kunnen leiden tot aanspraken op een tweede bedrijfswoning, wat een voortgaande verstening van het buitengebied inhoudt.

2.7.3. De Afdeling is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de woning [locatie 4] niet als bedrijfswoning tot stand is gekomen. Verweerders hebben de woning dan ook terecht aangemerkt als bedrijfswoning. Zij hebben zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het beleid van de gemeente, dat inhoudt dat tweede bedrijfswoningen die zijn vervreemd van het agrarisch bedrijf binnen het bouwperceel worden geprojecteerd ter voorkoming van het gebruik daarvan als burgerwoning, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Verweerders hebben echter miskend dat ingevolge artikel 6, tweede lid, onder a, van de planvoorschriften op het agrarisch bouwperceel slechts één bedrijfswoning is toegestaan. Niet aannemelijk is dat het gebruik van de woning [locatie 5] dan wel de woning [locatie 4] binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 2.

2.8. [appellant sub 4] stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, omdat dit onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden biedt voor zijn agrarisch bedrijf aan de [locatie 7]. Hij voert aan dat het agrarisch bebouwingsvlak ten opzichte van het voorheen geldende plan ten onrechte is verkleind van 1,5 ha naar ongeveer 1 ha.

2.8.1. Volgens de plantoelichting is in het plan aan alle volwaardige agrarische bedrijven een bouwperceel van ca. 1 ha toegekend. De gemeenteraad is van mening dat het toegekende agrarisch bebouwingsvlak nog voldoende mogelijkheden tot uitbreiding biedt.

2.8.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat een agrarisch bouwperceel van 1 ha. in het algemeen toereikend is voor een goede agrarische bedrijfsvoering en dat binnen het agrarisch bouwperceel van appellant nog ruime bouwmogelijkheden aanwezig zijn. Zij wijzen voorts op de in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden.

2.8.3. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het agrarisch bouwperceel ruimte biedt voor uitbreiding van de bebouwing. Voorts kunnen burgemeester en wethouders ingevolge artikel 29, eerste lid, onder g van de planvoorschriften, met toepassing van het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening de oppervlakte van het agrarische bouwperceel vergroten tot maximaal 1,5 ha. Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 4] is in zoverre ongegrond.

2.9. [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 8] en [appellanten sub 13] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voor zover dit uitbreiding mogelijk maakt van het paardensportcentrum [vergunninghoudster 1]. Zij voeren aan dat uitbreiding van het paardensportcentrum in strijd is met het streekplanbeleid en dat de bebouwing en daarmee samenhangende grootschalige evenementen afbreuk doen aan de in landschappelijk en natuurlijk opzicht waardevolle omgeving. Appellanten vrezen toename van de bestaande verkeers- en parkeeroverlast en van geluid- en lichthinder.

2.9.1. De gemeenteraad stelt dat de uitbreiding niet zal leiden tot intensivering van het gebruik of een uitbreiding en het grootschaliger worden van de evenementen. Hij is van mening dat de overlast als gevolg van de uitbreiding binnen aanvaardbare proporties zal blijven.

2.9.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het plan niet voorziet in een uitbreiding van het paardensportcentrum als zodanig, maar alleen voorziet in een uitbreidingsmogelijkheid voor de bebouwing, waardoor de overlast kan worden beperkt. Verweerders zijn van mening dat het terrein zelf geen landschappelijke waarden heeft en dat de effecten naar de omgeving, gelet op de reeds aanwezige bebouwing, beperkt zijn.

2.9.3. Aan de gronden van het paardensportcentrum [vergunninghoudster 1] is in het plan de bestemming “Recreatieterreinen” en de nadere aanduiding

“P2 (paardensport)” toegekend. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder c, van de planvoorschriften is binnen het bebouwingsvlak een totale maximale bebouwde oppervlakte van 6.000 m2 toegestaan. Door de vertegenwoordiger van het gemeentebestuur is medegedeeld dat de nadere aanduiding “P2 (paardensport)” specifiek is toegesneden op het paardensportcentrum [vergunninghoudster 1].

Uit de stukken blijkt dat burgemeester en wethouders op 3 oktober 2000 met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bouwvergunning hebben verleend voor verlenging/vergroting van de wedstrijdhal en de bouw van een afstaphal tussen de inrijhal en de wedstrijdhal. De bebouwde oppervlakte van het paardensportcentrum wordt met dit bouwplan vergroot tot 5.180 m2. Het bouwplan is bedoeld om er voor te zorgen dat het houden van zogeheten dressuurproeven in de wedstrijdhal kan worden voortgezet, alsmede voor het uit veiligheidsoverwegingen aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen het inrijden en het afstappen van de paarden en pony’s.

Blijkens de stukken vindt de uitbreiding van de bebouwing plaats direct aansluitend op de bestaande bebouwing. De Afdeling is met verweerders van oordeel dat de effecten van deze uitbreiding op de omgeving beperkt zijn. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat uitbreiding van de bebouwing van het paardensportcentrum zal leiden tot een zodanige toename van overlast dat verweerders hieraan niet in redelijkheid voorbij hebben kunnen gaan. Verweerders hebben echter niet duidelijk gemaakt waarom het plan, in plaats van de ten behoeve van de realisatie van het vergunde bouwplan benodigde oppervlakte van 5.180 m2, voor deze gronden een totale maximale bebouwde oppervlakte van 6.000 m2 toestaat. In zoverre hebben zij op basis van een ontoereikende motivering goedkeuring verleend aan dit plandeel. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellant sub 4], [appellanten sub 8] zijn in zoverre en die van [appellant sub 5] en [appellanten sub 13] geheel gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Recreatieterreinen” en de nadere aanduiding “P2 (paardensport)”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 3.

2.10. [appellanten sub 8] stellen dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voor zover daarin de bestemming “Verblijfsrecreatie” is toegekend aan het oostelijk gedeelte van een strook grond, gelegen in het noordwestelijk gedeelte van het verblijfsrecreatief complex [vergunninghoudster 2] aan de [locatie 8]. Zij voeren aan dat uitbreiding van het complex zal leiden tot een toename van de verkeers- en parkeeroverlast ter plaatse.

De stichting “Bevordering Eenheid onder Gelovigen”, exploitante van het verblijfsrecreatief complex [vergunninghoudster 2], stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voor zover daarin de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” is toegekend aan het westelijk gedeelte van deze strook grond. Zij zijn van mening dat ook aan dit gedeelte van de strook de bestemming “Verblijfsrecreatie” dient te worden toegekend om voldoende ruimte te kunnen bieden voor het innemen van standplaatsen met kampeermiddelen.

2.10.1. Uit de stukken is gebleken dat het gemeentebestuur in het ontwerpplan aan een strook grond van ca. 1 ha de bestemming “Verblijfsrecreatie” heeft toegekend om uitbreiding van het complex ten behoeve van de aanleg van kampeervoorzieningen mogelijk te maken.

[appellanten sub 8] hebben tegen de in het ontwerpplan voorziene uitbreiding zienswijzen ingebracht. De gemeenteraad heeft vervolgens het plan gewijzigd vastgesteld en de bestemming van de westelijke helft van de strook gewijzigd in “Agrarisch gebied met landschapswaarden”. Hij acht onvoldoende maatschappelijk draagvlak aanwezig voor de in het ontwerpplan opgenomen uitbreiding en stelt dat de stichting de exploitatie van het terrein op deze planologische ruimte moet afstemmen. Een grotere ruimte wordt in planologisch opzicht niet acceptabel geacht.

2.10.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onevenredige hinder en achten een uitbreidingsmogelijkheid van een halve hectare aanvaardbaar.

2.10.3. De Afdeling overweegt dat de gemeenteraad een grote mate van vrijheid toekomt bij het aanwijzen van bestemmingen die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Niet aannemelijk is gemaakt dat het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden van het complex tot 0,5 ha de exploitatiemogelijkheden daarvan in gevaar brengt.

Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het complex is opengesteld van april tot september, waarbij de nadruk ligt op een periode van 14 dagen in de zomer waarbinnen de meeste activiteiten plaatsvinden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat de uitbreiding van het complex zal leiden tot een zodanige toename van overlast dat verweerders hieraan niet in redelijkheid voorbij hebben kunnen gaan.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan dit onderdeel van het plan. Het beroep van [appellanten sub 8] is in zoverre en dat van de stichting “Bevordering Eenheid onder Gelovigen” geheel ongegrond.

2.11. [appellante sub 6] stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voor zover daarin het bedrijf [vergunninghoudster 3], aan de [locatie 9] niet als zodanig is bestemd. Zij voert aan dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat andere niet-agrarische bedrijvigheid wel als zodanig is bestemd.

2.11.1. De gemeenteraad is van mening dat deze activiteit planologisch van ondergeschikt belang is en heeft geen aanleiding gezien om dit gebruik in het plan op te nemen.

2.11.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat een bedrijf in elektronische apparatuur niet als ondergeschikt agrarisch kan worden aangemerkt op grond waarvan dit als zodanig dient te worden bestemd. De bedrijfsactiviteiten kunnen volgens verweerders nadrukkelijk niet tot de agrarische bedrijfsvoering worden gerekend.

2.11.3. In het plan is aan de gronden aan de [locatie 9] de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” toegekend. Op grond van artikel 6, eerste lid, onder h, van de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming tevens bestemd voor aan de agrarische functie ondergeschikte niet-agrarische bedrijvigheid volgens bijlage 1, behorend bij de planvoorschriften, uitsluitend daar waar dit op de plankaart is aangegeven door middel van de lettercode “b”. Aan de gronden aan de [locatie 9] is deze lettercode niet toegekend.

Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was ter plaatse sprake van een melkrundveehouderij en varkenshouderij alsmede een bedrijf in elektronische apparatuur. Verweerders hebben terecht geconstateerd dat een bedrijf in elektronische apparatuur niet tot de agrarische bedrijfsvoering kan worden gerekend. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onder h, van de planvoorschriften staat dit gegeven echter niet in de weg aan het als zodanig bestemmen van dit gebruik in het plan. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het bedrijf in elektronische apparatuur sinds 1995 ter plaatse is gevestigd. Verweerders hebben niet duidelijk gemaakt waarom dit bedrijf, anders dan de in bijlage 1 bij de planvoorschriften genoemde vormen van bedrijvigheid, niet als een aan de agrarische functie ondergeschikte niet-agrarische bedrijvigheid kan worden aangemerkt. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders op basis van een ontoereikende motivering goedkeuring verleend aan dit planonderdeel. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van [appellante sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden”, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 4.

2.12. [appellante sub 9] stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in de mogelijkheid van een recreatiewoning bij het perceel [locatie 10].

Zij voert aan dat een aldaar aanwezig pand als gevolg van het overgangsrecht van opeenvolgende uitbreidings- en/of bestemmingsplannen inmiddels is gelegaliseerd en wat betreft uitstraling en constructie als recreatiewoning kan worden beschouwd.

2.12.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het bouwwerk de laatste jaren niet recreatief is gebruikt en dat niet kan worden gesproken van een recreatiewoning op grond van overgangsrecht. Verder zijn zij van mening dat de ligging pal naast een intensieve veehouderij aan de geschiktheid als recreatiewoning in de weg staat. Verweerders achten in de gegeven omstandigheid een bestemming als onderdeel van een agrarisch bouwperceel aanvaardbaar.

2.12.2. Niet bestreden is dat de gemeenteraad op verzoeken om het pand te bestemmen als recreatiewoning steeds afwijzend heeft beslist. Uit de stukken kan worden afgeleid dat het gebruik van het pand als recreatiewoning tussentijds is gestaakt, zodat, zo dit al van toepassing zou zijn geweest, geen sprake meer kan zijn van voortzetting van het gebruik op grond van het overgangsrecht. De Afdeling acht het standpunt van verweerders dat door de in de directe nabijheid gelegen varkenshouderij een aanvaardbaar verblijfsklimaat voor het pand niet kan worden gegarandeerd, niet onredelijk. Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellante sub 9] is ongegrond.

2.13. [appellant sub 12] stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Hij voert aan dat het gebied dat begrensd wordt door de Bentelosestraat, de Leusinkweg, de Dorreweg en de Bolschersweg, waarbinnen een gedeelte van zijn bedrijfsgronden zijn gelegen, op de kaart “landschapswaardering” behorend bij artikel 6 van de planvoorschriften ten onrechte is voorzien van de lettercodes “b” (beplantingselementen) en “w” (waterhuishouding). Hij stelt dat in het gebied nauwelijks beplantingselementen aanwezig zijn en daardoor ook de bescherming tegen ingrepen in de waterhuishouding niet meer van belang is.

Appellant voert voorts aan dat de Benteler Esch, gelegen ten noorden van de Eschweg en ten oosten en zuiden van de Katiersweg, op de kaart “zoneringen” behorend bij artikel 29 van de planvoorschriften ten onrechte is aangewezen als landelijk gebied III/IV en dat verweerders zijn bedenking hiertegen ten onrechte niet hebben besproken.

2.13.1. Aan het gebied dat wordt begrensd door de Bentelosestraat, de Leusinkweg, de Dorreweg en de Bolschersweg is in het plan de bestemming “Agrarisch gebied met landschapswaarden” toegekend. Op de kaart landschapswaardering, behorend bij artikel 6 van de planvoorschriften is aan het gebied, voor zover hier van belang, de lettercode “b” (beplantingselementen) toegekend. Ingevolge artikel 6, vierde lid, onder 1, van de planvoorschriften is het verboden in gebieden die op de kaart “landschapswaardering”, behorend bij dit artikel, zijn aangegeven met de lettercode “b”, zonder of in afwijking van een aanlegvergunning houtgewas te vellen of te rooien.

Ingevolge artikel 14 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is binnen een bij het plan aan te geven gebied bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), voor zover zulks noodzakelijk is:

a. om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming;

b. ter handhaving en ter bescherming van een verwerkelijkte bestemming als bedoeld onder a.

Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat in het gebied dat begrensd wordt door de Bentelosestraat, de Leusinkweg, de Dorreweg en de Bolschersweg één bosje aanwezig is dat als zodanig is bestemd en twee bosjes die niet als zodanig zijn bestemd. Het gebied maakt deel uit van een groter gebied met vele niet positief bestemde kleinere bossen en landschapselementen en is in gebruik als bouwland en weiland.

De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat het voor de gronden opgenomen aanlegvergunningvereiste niet kan bijdragen aan de bescherming van de gegeven bestemming en dus niet noodzakelijk is. Niet aannemelijk is voorts dat het aanlegvergunningvereiste tot een onevenredige belemmering van de agrarische bedrijfsvoering zal leiden.

Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders in zoverre terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan. Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre ongegrond.

2.13.2. Ter zitting hebben verweerders zich op het standpunt gesteld dat zij goedkeuring hadden moeten onthouden aan de lettercode “w” op de kaart “landschapswaardering” behorend bij artikel 6 van de planvoorschriften, voor zover toegekend aan het gebied dat begrensd wordt door de Bentelosestraat, de Leusinkweg, de Dorreweg en de Bolschersweg

Nu verweerders zich in zoverre op een ander standpunt stellen dan zij in het bestreden besluit hebben gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, in welk artikel is bepaald dat een besluit met de vereiste zorgvuldigheid wordt voorbereid.

Het beroep van [appellant sub 12] is in zoverre dan ook gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de lettercode “w” op de kaart “landschapswaardering” behorend bij artikel 6 van de planvoorschriften, voor zover betrekking hebbend op het gebied dat begrensd wordt door de Bentelosestraat, de Leusinkweg, de Dorreweg en de Bolschersweg.

2.13.3. Ten aanzien van de tweede beroepsgrond overweegt de Afdeling het volgende. Verweerders hebben in hun verweerschrift toegegeven dat zij de bedenking van appellant ten onrechte niet hebben besproken. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre dan ook gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de aanduiding landelijk gebied III/IV op de kaart “zoneringen” behorend bij artikel 29 van de planvoorschriften, voor zover betrekking hebbend op het gebied de Benteler Esch, gelegen ten noorden van de Eschweg en ten oosten en zuiden van de Katiersweg.

2.14. [appellant sub 14] stelt dat verweerders ten onrechte goedkeuring hebben verleend aan het plan, voorzover daarbij aan het pand [locatie 11] de bestemming “Recreatiewoning” is toegekend. Hij voert aan dat vanwege het langdurig gebruik als woning en het gegeven dat dit gebruik niet binnen afzienbare tijd zal worden beëindigd een woonbestemming dient te worden toegekend. Appellant voeren tevens aan dat er sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat aan het pand [locatie 12] wel een woonbestemming is toegekend.

2.14.1. De gemeenteraad heeft als beleid dat indien voor een recreatiewoning geldt dat sprake is van een zodanige situatie dat feitelijk van een burgerwoning kan worden gesproken, en aan een aantal aanvullende voorwaarden wordt voldaan, hieraan de bestemming “Woonbebouwing” kan worden toegekend. In dit geval ziet hij echter geen aanleiding om een woonbestemming toe te kennen, omdat het hier gaat om een gebouw dat oorspronkelijk een noodwoning was en omdat het is gelegen in een agrarisch gebied.

2.14.2. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben dit plandeel goedgekeurd. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het feit dat de noodwoning in dit geval reeds langdurig bewoond is geweest, onvoldoende aanleiding is voor het toekennen van de bestemming “Woonbebouwing”.

Het beleid van het gemeentebestuur voor toekenning van een woonbestemming aan een recreatiewoning heeft niet de instemming van verweerders, omdat dit strijdig is met het provinciale ruimtelijke beleid om verstening van het buitengebied tegen te gaan.

2.14.3. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat het pand [locatie 13] gelet op de oppervlakte, de uiterlijke verschijningsvorm en de uitstraling van het pand, dient te worden aangemerkt als zomerwoning en dat het pand in sterke mate afwijkt van het pand [locatie 12]. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het pand als woning in overeenstemming is met een bestemmingsplan.

Het provinciale ruimtelijke beleid is gericht op het uitsluiten van nieuwe woningen in het buitengebied. De omstandigheid dat een pand gedurende lange tijd permanent wordt bewoond en daartegen door het gemeentebestuur niet handhavend is opgetreden brengt niet zonder meer met zich dat dit gebruik in strijd met het provinciale beleid als zodanig moet worden bestemd.

Verweerders hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan op dit onderdeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 14] is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

2.15. Ten aanzien van de Vereniging Milieudefensie, [appellant sub 3],

[appellant sub 5], [appellante sub 6], [appellant sub 4], [appellanten sub 8] en [appellant sub 12] dienen verweerders op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van [appellanten sub 13] is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overige appellanten bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 11] en [appellant sub 7] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellanten sub 13] en [appellante sub 6] geheel en de beroepen van de Vereniging Milieudefensie, [appellant sub 4], [appellanten sub 8] en [appellant sub 12] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Overijssel van 13 maart 2001, RWB/2000/2870, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. artikel 6, derde lid, onder i, van de planvoorschriften;

b. aan de lettercode “w” op de kaart “landschapswaardering”

behorend bij artikel 6 van de planvoorschriften, voor zover

betrekking hebbend op het gebied dat begrensd wordt door de

Bentelosestraat, de Leusinkweg, de Dorreweg en de

Bolschersweg;

c. de aanduiding landelijk gebied III/IV op de kaart “zoneringen”

behorend bij artikel 29 van de planvoorschriften, voor zover

betrekking hebbend op het gebied de Benteler Esch, gelegen ten

noorden van de Eschweg en ten oosten en zuiden van de

Katiersweg;

d. de kaart “landschapswaardering” behorend bij artikel 6 van de

planvoorschriften, voor zover betrekking hebbend op de gebieden

zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende

gewaarmerkte kaart 1;

e. het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met

landschapswaarden”, zoals nader aangegeven op de bij deze

uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 2;

f. het plandeel met de bestemming “Recreatieterreinen” en de

nadere aanduiding “P2 (paardensport)”, zoals nader aangegeven

op de bij deze uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 3;

g. het plandeel met de bestemming “Agrarisch gebied met

landschapswaarden”, zoals nader aangegeven op de bij deze

uitspraak behorende gewaarmerkte kaart 4;

IV. onthoudt goedkeuring aan het planvoorschrift genoemd onder IIIa.;

V. bepaalt dat deze onthouding van goedkeuring in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 4], [appellanten sub 8] en [appellant sub 12] voor het overige en de beroepen van [appellant sub 1], de stichting “Bevordering Eenheid onder Gelovigen”, [appellante sub 9] en [appellant sub 14] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt gedeputeerde staten van Overijssel in de door de Vereniging Milieudefensie, [appellant sub 3], [appellant sub 5],

[appellante sub 6], [appellant sub 4], [appellanten sub 8] en [appellant sub 12] in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 3.077,60. Dit bedrag dient door de provincie Overijssel als volgt te worden betaald:

aan de Vereniging Milieudefensie € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan [appellant sub 3] € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan [appellant sub 4] € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan [appellant sub 5] € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan [appellante sub 6] € 774,54, waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan [appellanten sub 8] € 805,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

aan [appellant sub 12] € 49,06;

VIII. gelast dat provincie Overijssel aan de onder II genoemde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (voor de Vereniging Milieudefensie en [appellante sub 6] € 218,00, voor de anderen € 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Voskamp

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

270-370.