Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200204556/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204556/1

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

burgemeester en wethouders van Texel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 10 juli 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellanten.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2000 hebben burgemeester en wethouders van Texel (hierna: burgemeester en wethouders) [verzoeker], onder oplegging van een dwangsom, aangeschreven tot het verwijderen en verwijderd houden van het zonnescherm (hierna: de zonwering) en het horizontaal afwerken van de windschermen, conform de staat waarvoor op 28 december 1999 een bouwvergunning is verleend, zoals bevestigd aan dan wel opgericht bij het zomerhuis aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 26 februari 2002 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie Bezwaar- en beroepschriften van 18 februari 2002, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 juli 2002, verzonden op dezelfde datum, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 februari 2002, voor zover daarbij de aanschrijving tot het verwijderen en verwijderd te houden van de zonwering is gehandhaafd, vernietigd. Daarnaast dienen burgemeester en wethouders binnen acht weken na datum van verzending een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben burgemeester en wethouders bij brief van 19 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 5 november 2002 heeft [verzoeker] een memorie van antwoord ingediend.

Deze zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door O.W.M. Storms, ambtenaar van de gemeente, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Voorop staat dat door het plaatsen van de zonwering boven de aangebrachte constructie op de vergunde (zij)windschermen een voor mensen toegankelijke overdekte en met wanden omsloten ruimte wordt gevormd, die als een uitbreiding van het zomerhuis moet worden aangemerkt. Vast staat dat de daarvoor benodigde bouwvergunning niet is verleend. Burgemeester en wethouders waren derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.2. Alleen in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden. Een dergelijk bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen indien sprake is van een concreet zicht op legalisering.

2.3. Ingevolge het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Texel” rust op het perceel, waarop de woning is gesitueerd de bestemming “Recreatieterreinen, klasse Z”.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn zodanige gronden bestemd voor recreatieve doeleinden en mogen deze gronden ingevolge het tweede lid uitsluitend worden gebruikt en ingericht als terrein voor zomerhuizen.

Ingevolge artikel 8, vierde lid, sub e, van de planvoorschriften geldt, voor zover thans van belang, dat ten aanzien van de bebouwing de afstand van een zomerhuis tot de perceelgrens niet minder dan vijf meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 1, sub d, van de planvoorschriften wordt verstaan onder een gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekt geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten, ruimte vormt.

2.4. Vastgesteld wordt dat legalisatie van de zonwering in samenhang met de daartoe aangebrachte constructie op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet mogelijk is, nu door deze uitbreiding van het zomerhuis de afstand hiervan tot de perceelgrens minder dan vijf meter bedraagt. In dit verband is van belang dat bij het bepalen van de afstand van vijf meter blijkens artikel 2, aanhef en onder e (“of enig onderdeel daarvan”) ook bedoelde constructie moet worden meegerekend.

Het geschil spitst zich in dit verband thans toe op de vraag of de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat niet uitgesloten is dat legalisatie van de zonwering zonder de inmiddels verwijderde constructie mogelijk is. Nu de bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde aanschrijving eveneens betrekking heeft op het verwijderen en verwijderd houden van de zonwering, heeft de rechtbank dit besluit wegens strijd met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht, vernietigd.

De Afdeling overweegt daartoe als volgt. Ook in de situatie dat het zonnescherm is uitgedraaid en niet rust op een constructie, wordt het door windschermen omgeven terras geheel afgeschermd. Ter zitting is vast komen te staan dat de openingen tussen de zonwering en de schermen kunnen worden afgesloten. De Afdeling is derhalve met burgemeester en wethouders van oordeel dat ook in dit geval - door het geheel afschermen van het door windschermen omgeven terras - een uitbreiding van het zomerhuis wordt bereikt. Dat de zonwering kan worden ingedraaid, doet daaraan niet af. Een dergelijke uitbreiding van het zomerhuis is in strijd met de hiervoor vermelde planvoorschriften. De plaatsing van de in geding zijnde zonwering is daarom niet in overeenstemming met het bestemmingsplan. Derhalve kan niet alsnog bouwvergunning – indien dit wordt aangevraagd - voor de zonwering worden verleend.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het bij de voorzieningenrechter ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren, nu ook anderszins niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van handhaving hadden behoren af te zien.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Alkmaar van 10 juli 2002, nummer 02/496 en 02/477;

III. verklaart het bij de voorzieningenrechter ingestelde beroep alsnog ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Roosmalen

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

53-406.