Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4737

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200201987/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201987/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

appellant, wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2002, kenmerk Wm0508/2001/3255, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de vereniging “Schutterij ‘Wilhelmina’ – Hingen” een vergunning verleend voor het veranderen van een inrichting ten behoeve van het Oud-Limburgs schieten waarbij gebruik wordt gemaakt van een kogelvanger, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummer […] gedeeltelijk. Dit besluit is op 22 maart 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 8 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 april 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 22 mei 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2002, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. C. Scheepers, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Appellant betoogt dat onduidelijk is of in de inrichting windbuksschieten zal plaatsvinden.

2.2.1. Verweerder overweegt in het bestreden besluit dat aanvraagster bij schrijven van 5 maart 2002 heeft laten weten dat binnen de inrichting geen windbuksschieten zal plaatsvinden; aangezien het niet uitoefenen van deze activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu en het belang van appellant hiermee niet wordt geschaad, zal het definitieve besluit op dit onderdeel worden aangepast ten opzichte van het ontwerpbesluit.

2.2.2. In de aanvraag van 24 juni 2001 is vermeld dat de verandering van de inrichting bestaat uit het oprichten van een schutterslokaal, alsmede maximaal 10 x windbuksschieten in de periode november – februari. Bij brief van 5 maart 2002 heeft aanvraagster aan verweerder meegedeeld dat zij heeft besloten het houden van wedstrijden windbuksschieten in het schutterslokaal in de maanden november tot en met februari, niet te doen plaatsvinden. Verweerder heeft deze wijziging van de aanvraag op goede gronden aanvaardbaar geacht. Hoewel uit het dictum en de voorschriften van het bestreden besluit niet blijkt dat het bestreden besluit op dit punt is aangepast, moet het ervoor worden gehouden dat bij het bestreden besluit, nu de gehele aanvraag – en derhalve ook de wijziging daarvan - deel uitmaakt van de vergunning, geen vergunning is verleend voor het windbuksschieten binnen de inrichting in de periode november – februari en de vergunning derhalve uitsluitend ziet op de oprichting van een schutterslokaal. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.3. Appellant betoogt dat het gebied waarin de inrichting is gelegen deel uitmaakt van een zogeheten ecologische structuur. Volgens appellant mag daarom in dit gebied in beginsel niet worden gebouwd.

Voorts heeft verweerder volgens appellant miskend dat de vergunde activiteiten een onaanvaardbare aantasting betekenen van en voor deze omgeving. Er is volgens appellant geen dwingende reden van groot openbaar belang om de vergunde activiteiten in dit gebied toe te staan ten koste van verkleining van het leefgebied van ter plekke levende dieren en planten en het vernietigen van hun biotoop.

2.3.1. Verweerder betoogt in het bestreden besluit dat deze beroepsgronden dienen te worden bezien in het kader van de bestemmingsplanprocedure en niet kunnen worden aangemerkt als beroepsgronden in het kader van de Wet milieubeheer.

2.3.2. Voorzover appellant betoogt dat bouwen in het desbetreffende gebied in strijd is met de ecologische structuur en de ecologische verbindingszone in het bijzonder, is het bezwaar van planologische aard en heeft dit geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer, zodat het reeds om die reden niet kan slagen.

Het bezwaar van appellant met betrekking tot aantasting van natuurwetenschappelijke en ecologische waarden ten gevolge van de oprichting van het beoogde schutterslokaal is, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet milieubeheer, echter een bezwaar waarop de Wet milieubeheer betrekking heeft. Dit bezwaar kan derhalve in het kader van de onderhavige procedure aan de orde komen.

Appellant heeft in zijn nadere memorie betoogd dat de inrichting in de nabijheid van de Vulensbeek ligt, en heeft daarbij zijn zorg uitgesproken over verschillende amfibiesoorten, waarvoor deze beek met haar omgeving het beoogde leefgebied vormt. Verweerder voert aan dat hij in verband hiermee onder meer het uitgangspunt heeft gehanteerd dat een afstand van ten minste 15 meter tot de beek in acht dient te worden genomen. Nu de afstand tussen het schutterslokaal en de Vulensbeek ongeveer 20 meter zal bedragen en de ingang tot het schutterslokaal, die thans nog over de beek verloopt, zal worden verlegd naar een locatie gelegen op een zekere afstand van de beek, behoeft volgens verweerder voor een onaanvaardbare aantasting van natuurwetenschappelijke en ecologische waarden niet te worden gevreesd. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

Overigens wijst de Afdeling erop dat van de onderhavige vergunning geen gebruik zal kunnen worden gemaakt, indien voor de activiteit waarvoor vergunning is verleend tevens een ontheffing krachtens de Flora- en faunawet is vereist en deze niet is verkregen.

2.4. Voorzover appellant aanvoert dat de inrichting op een andere plaats gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde plaats vergunning kan worden verleend. Of een andere plaats meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.5. Appellant heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. Hij heeft noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van deze bedenkingen onjuist zou zijn. De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.6. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

271-415.