Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4735

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200200241/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2001:AD6869
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank niet bevoegd te oordelen over beroep tegen besluiten van de Commissie van beroep Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.

Besluit van het Examencentrum van de stichting VAM (verder: Innovam) dat appellant niet is geslaagd voor het examen rij-instructeur motorrijtuigen. Rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van de Commissie van beroep inzake het administratief beroep, waarbij het eerste besluit niet in stand is gelaten, niet-ontvankelijk verklaard.

Afdeling: In de Wet rijonderricht motorrijtuigen (Wrm) ontbreekt een bepaling waarin de bevoegdheid van de Commissie van beroep om, bij gegrondverklaring van het administratief beroep en het geheel of gedeeltelijk vernietigen van het primaire besluit, zelf in de plaats daarvan een nieuwe beslissing te nemen, wordt ingeperkt. Art. 7:25 Awb is hier derhalve onverkort van toepassing. Dientengevolge is niet alleen het besluit van het Innovam, maar ook de beslissing van de Commissie van beroep op het daartegen gerichte administratief beroep, naar haar aard een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat. Het besluit van de Commissie van beroep behoort dan ook tot de besluiten als bedoeld in art. 8:4.e Awb, waartegen geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.

De rechtbank heeft zich door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, impliciet bevoegd geacht. Dit is niet juist. Art. 8:4 Awb is opgenomen in de afdeling van titel 8.1 die de bevoegdheid betreft.

Gegrond hoger beroep.

Hoger beroep van rechtbank Arnhem d.d. 6 december 2001, LJN url(''AD6869'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=ad6869)

De Commissie van beroep Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.

mrs. J.A.E. van der Does, J.A.M. van Angeren, P.A. Offers

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:25
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/82 met annotatie van AWH
Module Verkeer 2003/172

Uitspraak

200200241/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

appellant, wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 6 december 2001 in het geding tussen:

appellant

en

de Commissie van beroep Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2000 heeft het Examencentrum van de stichting “Stichting VAM”, INNOVAM Examencentrum (hierna: INNOVAM) bepaald dat appellant niet is geslaagd voor het examen rij-instructeur motorrijtuigen categorie E achter B, deel 2 “het geven van een praktische les”.

Bij besluit van 31 januari 2001 heeft de Commissie van beroep, bedoeld in artikel 3 van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (hierna: de Commissie van beroep), naar aanleiding van het door appellant ingestelde administratief beroep tegen het besluit van 12 mei 2000, bepaald dat dat besluit niet in stand blijft en dat INNOVAM appellant opnieuw dient op te roepen voor het kosteloos afleggen van dat deel van het examen.

Bij uitspraak van 6 december 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 januari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 18 april 2002 heeft de Commissie van beroep van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2002, waar appellant, in persoon, vergezeld van zijn [echtgenote], en de Commissie van beroep, vertegenwoordigd door [gemachtigden], respectievelijk voorzitter en lid van de Commissie van beroep, en [gemachtigde], accountcoördinator bij INNOVAM, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste en derde lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (hierna: Wrm) kan een belanghebbende – voor zover hier van belang – tegen een besluit van INNOVAM ter zake van de uitslag van het examen rijinstructeur administratief beroep instellen bij de Commissie van beroep.

2.2. In de Wrm ontbreekt een bepaling waarin de bevoegdheid van de Commissie van beroep om, bij gegrondverklaring van het administratief beroep en het geheel of gedeeltelijk vernietigen van het primaire besluit, zelf in de plaats daarvan een nieuwe beslissing te nemen, wordt ingeperkt.

Gelet op het voorgaande is artikel 7:25 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hier onverkort van toepassing. Dientengevolge is niet alleen het besluit van INNOVAM ter zake van de uitslag van het examen rijinstructeur, maar ook de beslissing van de Commissie van beroep op het daartegen gerichte administratief beroep, naar haar aard een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat.

2.3. Het besluit van de Commissie van beroep behoort dan ook tot de besluiten, bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Awb. Tegen dat besluit kan derhalve geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.4. De rechtbank heeft aan deze conclusie het gevolg verbonden dat appellant in zijn beroep niet kon worden ontvangen en daarmee zich impliciet bevoegd geacht. Dit is niet juist. Artikel 8:4 van de Awb is opgenomen in de afdeling van titel 8.1 die de bevoegdheid betreft. De aangevallen uitspraak kan daarom niet in stand blijven en het hoger beroep is dus gegrond. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, alsnog bepalen dat de rechtbank niet bevoegd was van het beroep kennis te nemen.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:71 van de Awb wijst de Afdeling appellant op de mogelijkheid een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen.

2.5. De Commissie van beroep dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 6 december 2001, Awb 01/497;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd van het beroep kennis te nemen;

IV. veroordeelt de Commissie van beroep Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 in de door appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 123,09; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Verkeer en Waterstaat) aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Wolff

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

282-401.