Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200200157/1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2001:AD6269
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Jachtwet
Jachtwet 53
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/81
JOM 2006/856

Uitspraak

200200157/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

appellant,

tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 16 november 2001 in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "B.V. Sport Leeuwarden e.o.", gevestigd te Leeuwarden

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2001 heeft appellant de aanvraag van B.V. Sport Leeuwarden e.o. (hierna: Sport Leeuwarden) om een vergunning als bedoeld in artikel 53 van de Jachtwet voor de periode van 1 juni 2001 tot en met 31 mei 2002 afgewezen.

Bij besluit van 13 september 2001 heeft appellant het daartegen door Sport Leeuwarden op 16 juli 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 november 2001, verzonden op 27 november 2001, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de president) het daartegen door Sport Leeuwarden ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van Sport Leeuwarden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 januari 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 februari 2002 heeft Sport Leeuwarden een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 23 februari 2002 heeft "Stichting De Faunabescherming" te Amstelveen als derde-belanghebbende een memorie ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze stukken zijn aan Sport Leeuwarden toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juli 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J.M. Hagoort, ambtenaar van het ministerie, en Sport Leeuwarden, vertegenwoordigd door mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het - per 1 april 2002 vervallen - artikel 53, eerste lid, van de Jachtwet, voor zover hier van belang, kan onze Minister vergunning verlenen om, met afwijking van de voorschriften bij of krachtens deze wet gegeven, te jagen op wildsoorten.

Met ingang van 1 april 2002 is - ter vervanging van onder meer de Jachtwet - de Wet van 25 mei 1998 houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten (hierna te noemen: de Flora- en faunawet), Stb. 1998, 402, in werking getreden.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet, voor zover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 18 en 72, vijfde lid van deze wet.

2.2. De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende. Hangende de procedure in hoger beroep is artikel 53 van de Jachtwet vervallen en is hiervoor in de plaats gekomen het artikel 68 van de Flora- en faunawet.

Nu appellant niet langer de bevoegde instantie ter zake is, de periode waarvoor de vergunning werd gevraagd, is verstreken, Sport Leeuwarden desgevraagd ter zitting heeft verklaard af te zien van het vorderen van vergoeding van schade die eventueel geleden is als gevolg van de weigering vergunning te verlenen en ook overigens geen belang is gesteld of gebleken, valt niet in te zien welk rechtens te honoreren belang appellant nog heeft bij een beoordeling van de zaak ten gronde. De Afdeling stelt nog vast dat anders dan appellant heeft betoogd zodanig belang niet is gelegen in het enkele verkrijgen van een antwoord op een rechtsvraag van principiële betekenis.

2.3. De conclusie is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat aanleiding op na te melden wijze.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt appellant in de door Sport Leeuwarden in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) te worden betaald aan Sport Leeuwarden.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Does w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

91-391.