Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4730

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200203684/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/100 met annotatie van C.L.G.F.H. A
AB 2003, 140
M en R 2003, 87K
Module Ruimtelijke ordening 2003/1081

Uitspraak

200203684/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 22 mei 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Dirksland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dirksland (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast de op zijn perceel aan de [locatie 1] geplaatste magazijnwagens, container en stacaravan alsmede de opgeslagen bouw- en bestratingmaterialen, oude machines, een silo en strobalen en dergelijke te verwijderen, alsook eventuele nieuwe strijdigheden met artikel 40 van de Woningwet en artikel 23 van de voorschriften van het bestemmingsplan op te heffen.

Bij besluit van 23 juli 2001 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van 12 juli 2001, het primaire besluit, voor zover het betreft de opslagcontainer en de materialen voor de bedrijfsvoering, zoals aangegeven in een brief van 4 december 2000, herroepen, met handhaving van het primaire besluit voor het overige en met ongegrond verklaring van de daartegen ingediende bezwaren.

Bij uitspraak van 22 mei 2002, verzonden op 27 mei 2002, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 8 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 2 september 2002 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [gemachtigde] namens omwonenden. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat, en het college, vertegenwoordigd door J.P. Zuidweg, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [naam rechtspersoon], omwonende, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het college heeft besloten tot bestuursdwang, nadat aan appellant eerder ter zake van dezelfde overtredingen bij besluit van 27 juni 2000 een last onder dwangsom was opgelegd zonder het voor het college gewenste resultaat.

2.2. Het geschil heeft betrekking op de vraag of het college met de beslissing tot toepassing van bestuursdwang heeft gehandeld in strijd met de artikelen 5:31 en 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.3. Ingevolge artikel 5:31 van de Awb wordt een beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet genomen zolang een ter zake van de betrokken overtreding reeds gegeven beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom niet is ingetrokken.

2.4. Het college heeft de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom niet expliciet ingetrokken. Appellant betoogt dat intrekking noodzakelijk was om een verboden samenloop als bedoeld in artikel 5:31 van de Awb te voorkomen. Volgens appellant kan een dergelijke samenloop zich ook voordoen als de dwangsombeschikking reeds is uitgewerkt, omdat tegen de dwangsom nog rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

De Afdeling kan appellant niet volgen in dit betoog. Het besluit van 25 oktober 2000 tot bestuursdwang is ingegeven door de constatering dat aan de eerder opgelegde dwangsom beschikking geen gevolg is gegeven. Daarbij is er van uitgegaan dat met het verbeuren van de dwangsommen de dwangsombeschikking is uitgewerkt en appellant derhalve na de datum van het besluit tot bestuursdwang niet langer geconfronteerd kan worden met verbeuren van dwangsommen op grond van het besluit van 27 juni 2000. Van een in artikel 5:31 van de Awb verboden samenloop van sancties was derhalve geen sprake. Hieraan doet niet af dat tegen de dwangsombeschikking nog werd geprocedeerd. De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college kon besluiten tot toepassing van bestuursdwang.

2.5. Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, van de Awb dient het bestuursorgaan in de beslissing tot toepassing van bestuursdwang de te nemen maatregelen te omschrijven.

2.6. Appellant kan ook niet worden gevolgd in zijn betoog dat de te nemen maatregelen, teneinde bestuursdwang te voorkomen, in de beslissing op bezwaar onduidelijk zijn geformuleerd. De rechtbank heeft eveneens terecht en op goede gronden geoordeeld dat de beslissing op bezwaar en de brief van 4 december 2000, waarnaar in deze beslissing wordt verwezen, voldoende duidelijk maken welke van de in het primaire besluit met name genoemde bouwwerken en materialen moeten worden verwijderd.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

47-429.