Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200203302/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203302/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de Minister van Verkeer en Waterstaat,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 5 juni 2002 in het geding tussen:

appellant sub 2

en

appellant sub 1.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2000 heeft appellant sub 1 (hierna: de minister) aan appellant sub 2 op zijn verzoek een medische verklaring Klasse JAA I en Klasse JAA II afgegeven, met – onder meer – de restrictie 'Valid for Dutch registered aircraft only'.

Bij besluit van 13 maart 2001 heeft de minister het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tevens is aan [appellant sub 2] een nieuwe medische verklaring Klasse JAA I gezonden met de gewijzigde restrictie: ‘Valid for Dutch aircraft only, under Dutch AOC, or at the discretion of any other relevant authority’.

Bij uitspraak van 5 juni 2002, verzonden op 7 juni 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het tegen laatstgenoemd besluit door [appellant sub 2] ingestelde beroep, voorzover het de beperking in de medische verklaring ten aanzien van Klasse JAA II betreft, gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

[appellant sub 2] heeft bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 28 augustus 2002 heeft de minister van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ingediend door de minister. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M. Kops, ambtenaar bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, en [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. J.M. Deveer, advocaat te Utrecht, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.005, onder b, sub 4, van de Joint Aviation Regulations – Flight Crew Licensing Deel 3 (hierna: JAR-FCL) zal aan houders van een bewijs van bevoegdheid dat is afgegeven in overeenstemming met de landelijke wettelijke voorschriften van een JAA-lidstaat die niet volledig voldoen aan de eisen uit Deel 1 van JAR-FCL Deel 3 (Medische Zaken), worden toegestaan de bevoegdheden van het landelijke brevet waarvan zij houder zijn, te blijven uitoefenen.

In artikel 2.2 van de Wet Luchtvaart is bepaald, voorzover hier van belang, dat de minister op aanvraag een bewijs van bevoegdheid afgeeft, onder meer wanneer aan degene, die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd, een geldige medische verklaring is verstrekt.

Ingevolge artikel 15, vijfde lid, van de Regeling geneeskundige instanties, geneeskundigen en medische verklaringen voor de luchtvaart (hierna: de Regeling), voorzover hier van belang, kan de minister onder meer een aantal nader genoemde beperkingen aan een af te geven of te verlengen medische verklaring verbinden. In een medische verklaring kunnen voorts speciale instructies worden opgenomen.

2.2. De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant sub 2] niet voldoet aan de in de op 1 oktober 1999 in werking getreden JAR-FCL gestelde visuseisen voor een medische verklaring Klasse JAA I. Bij een onverkorte toepassing van de JAR-FCL zou [appellant sub 2] niet in aanmerking komen voor een medische verklaring, aangezien de terzake gestelde medische eisen zijn aangescherpt. Om [appellant sub 2] de bevoegdheden die hij aan het daarvóór geldende recht ontleende, te laten behouden, heeft de minister met toepassing van artikel 15 van de Regeling aan [appellant sub 2] een medische verklaring onder beperking afgegeven. De minister heeft daarbij de niet in de Nederlandse wet- en regelgeving geïmplementeerde overgangsregeling, neergelegd in artikel 3.005, onder b, sub 4, van de JAR-FCL, gevolgd. De rechtbank heeft het besluit van de minister in stand gelaten voor wat betreft de medische verklaring Klasse JAA I, en het besluit vernietigd voorzover het betrekking heeft op de beperking in de medische verklaring ten aanzien van Klasse JAA II, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.3. Voorzover de minister de vraag heeft opgeworpen of nog sprake is van procesbelang, nu de geldigheidsduur van de in geding zijnde medische verklaring inmiddels is verstreken, overweegt de Afdeling dat dat belang met het oog op verlenging van de geldigheidsduur van de medische verklaring in dit geval nog aanwezig moet worden geacht.

2.3.1. De minister betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte het besluit, voorzover het betreft de beperking in de medische verklaring Klasse JAA II, heeft vernietigd. Volgens de minister heeft [appellant sub 2] nooit een beperking op zijn medische verklaring Klasse JAA II gekregen en gold de beperking alleen voor de medische verklaring Klasse JAA I.

2.3.2. Dit betoog slaagt niet. In tegenstelling tot hetgeen de minister betoogt, blijkt noch uit de medische verklaring noch uit de begeleidende brief van 14 februari 2001 bij de medische verklaring, dat de restrictie niet op beide klassen van toepassing zou zijn. De rechtbank is derhalve op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de beslissing op bezwaar dient te worden vernietigd, voorzover deze een beperking inhoudt van de medische verklaring Klasse JAA II, aangezien een dergelijke beperking is gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag.

2.4. Met het betoog van [appellant sub 2] dat de beperking in het geheel niet op zijn medische verklaring had mogen worden gesteld, kan niet worden ingestemd. Aangezien [appellant sub 2] niet voldoet aan de ingevolge de JAR-FCL geldende visuseisen voor een medische verklaring Klasse JAA I, komt hij - met behoud van zijn rechten - alleen in aanmerking voor een nationaal vliegbrevet, hetgeen de beperking inhoudt. De minister kon bij de toepassing van artikel 15, vijfde lid, van de Regeling uitvoering geven aan het in de JAR-FCL opgenomen overgangsrecht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit artikel 15, vijfde lid, van de Regeling niet volgt dat geen andere beperkingen dan beperkingen van medische aard aan een medische verklaring kunnen worden toegevoegd, aangezien in artikel 15, vijfde lid, van de Regeling geen uitputtende opsomming is gegeven van mogelijke beperkingen en daarin niet uitsluitend beperkingen van medische aard zijn genoemd.

2.4.1. Hetgeen [appellant sub 2] overigens nog aanvoert, kan niet leiden tot een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank in haar uitspraak is gekomen.

2.5. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

97-426.