Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4719

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200203530/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203530/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 16 mei 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 21 november 2000 en 12 december 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal aan [vergunninghouder] achtereenvolgens vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en vergunning verleend voor de uitbreiding van de woning met een extra verdieping en een zolderruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 23 augustus 2001 heeft het college onder verwijzing naar het advies van de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 23 juli 2001 het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 mei 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 25 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.E.J. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. M. Huisman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) gelegen woning bestaat uit een benedenverdieping met daarop een piramidevormig dak. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een extra verdieping, die wederom zal worden afgedekt met een piramidevormig dak. In elk dakvlak is een dakkapel geprojecteerd. De bestaande goothoogte van 2,80 meter zal na realisering van het bouwplan 5,90 meter bedragen. De nokhoogte van de woning blijft gelijk.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Aerdenhout-Bentveld” rust op het perceel de bestemming “Woondoeleinden (W)”. Ingevolge de op deze bestemming betrekking hebbende planvoorschriften en blijkens de plankaart mag de goothoogte van de woning maximaal drie meter bedragen.

Vaststaat dat het bouwplan hiermee in strijd is.

2.3. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de gevallen, genoemd in artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Niet meer in geschil is dat sprake is van een geval als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Bro.

2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 19, derde lid, van de WRO. Daartoe voeren zij aan dat de verleende vrijstelling in strijd is met het door het college gevoerde vrijstellingenbeleid.

2.4.1. Dit betoog faalt. Vast staat dat niet eerder dan hangende bezwaar, op 26 april 2001, door de raad der gemeente Bloemendaal beleid is vastgesteld inzake de toepassing van artikel 19 van de WRO, zoals die bepaling vanaf 3 april 2000 luidt. Dit beleid is neergelegd in de nota “Vrijstellingenbeleid artikel 19 WRO” (hierna: de nota) en houdt, kort weergegeven, in dat het bestemmingsplan als uitgangspunt voor het gemeentelijk ruimtelijk beleid heeft te gelden en dat in principe geen vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 worden verleend voor bouwplannen als het onderhavige, die gelegen zijn in een gebied waarvoor een modern bestemmingsplan geldt. Een uitzondering kan worden gemaakt voor een onvoorziene ontwikkeling of een bijzondere omstandigheid. Daarbij dient tevens het doel en de strekking van het bestemmingsplan beter te zijn gediend dan wanneer aan het bestemmingsplan wordt vastgehouden. Uit de toelichting op het vrijstellingenbeleid volgt voorts dat vrijstelling op basis van artikel 19, derde lid, van de WRO gemakkelijker wordt verleend dan vrijstelling op basis van artikel 19, eerste en tweede lid.

Nog daargelaten of de nota, gelet op de datum van vaststelling daarvan, van toepassing kan worden geacht, kon het college het feit dat al zo lang met [vergunninghouder] over het bouwplan werd onderhandeld – het eerste verzoek om planologische medewerking aan realisering van het bouwplan dateert van 31 december 1997 – aanmerken als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan uitzondering kan worden gemaakt op de ingevolge het bestemmingsplan geldende goothoogte van drie meter. Dat uit het advies van de welstandscommissie van 6 november 2000 volgt dat het doel en de strekking van het bestemmingsplan, gelet op de afmetingen van de woning, bij realisering van het bouwplan beter wordt gediend dan wanneer aan het bestemmingsplan wordt vastgehouden, kan, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, evenzeer worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid in vorenbedoelde zin. Het advies van [adviseur] van 19 oktober 2001 kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook in dit advies wordt erkend dat de massa van de woning bij realisering van het bouwplan aansluit bij die van de naastgelegen woningen.

2.5. Het betoog van appellanten dat burgemeester en wethouders bij afweging van de betrokken belangen ten onrechte geen doorslaggevend gewicht hebben toegekend aan de verslechtering van de privacy van appellanten, vormt in essentie een herhaling van het bij de rechtbank betoogde. De rechtbank heeft dit betoog terecht en op goede gronden verworpen.

2.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat geen grond is voor het oordeel dat het college bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde vrijstelling te verlenen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Boer

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

201-423.