Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4715

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200204894/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204894/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 augustus 2002 in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (thans de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer).

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Staatssecretaris) de aan appellante eerder toegekende huursubsidie voor de periode van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 ingetrokken.

Bij besluit van 10 januari 2002 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 augustus 2002, verzonden op 12 augustus 2002, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 6 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 17 oktober 2002 heeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Minister) een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 januari 2003, waar appellante in persoon en de Minister, vertegenwoordigd door mr. M. Piras, medewerkster bij het departement, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De Staatssecretaris heeft bij zijn beslissing op bezwaar de intrekking van de huursubsidie over de in geding zijnde periode gehandhaafd omdat het inkomen van een zoon van appellante diende te worden meegerekend. Deze zoon stond op het adres van appellante ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Appellante heeft blijkens de stukken wel vermeld, dat de zoon elders verbleef en wat de reden daarvan was. Zij heeft dit echter niet nader onderbouwd. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank, dat de Staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat het in de eerste plaats op appellantes weg lag, haar stellingen met enig bewijsstuk te staven. Voor het toepassen van de hardheidsclausule was dan ook geen aanleiding. Het oordeel van de rechtbank dat de Staatssecretaris terecht en op goede gronden de bijdrage in het kader van de Wet individuele huursubsidie over de periode van 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 op nihil heeft gesteld, is daarom juist. Overigens, gelet op de inmiddels door appellante verschafte nadere gegevens, heeft de Minister ter zitting toegezegd het besluit met betrekking tot de huursubsidie over de periode 1 juli 1996 tot 1 juli 1997 te zullen herzien.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Schortinghuis

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

66-420.