Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4711

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200201508/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200201508/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Kwantum Nederland B.V.", gevestigd te Tilburg,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2002, kenmerk 2001-32018, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Norit Nederland B.V." een vergunning verleend voor het uitbreiden van een inrichting voor de productie van actieve kool met een maalstation voor kokosdoppen aan de Pieter Ghijsenlaan 42 in Zaandam, kadastraal bekend gemeente Zaandam, sectie K, nummers 8127, 10477 en 10478. Dit besluit is op 1 februari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 april 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 20 augustus 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is van verweerder een reactie op het deskundigenbericht ontvangen. Deze is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. M. van Weeren, advocaat te Amsterdam en verweerder, vertegenwoordigd door H.R. Mastenbroek, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Tevens is namens vergunninghoudster mr. Th.J.H. Douma, advocaat te Haarlem, daar als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellante heeft de grond inzake het niet in de vergunning opgenomen zijn van voorschriften aangaande de controle op zwevende deeltjes in de lucht niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten op dit punt geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.2. Appellante voert aan dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld omdat er sprake is van een overslagstation buiten het maalstation, en omdat kokosdop beschouwd moet worden als hout.

De Afdeling overweegt dat de onderhavige activiteiten geen activiteiten zijn als bedoeld onder het door appellante aangehaalde punt 2 van onderdeel D van het Besluit Milieu-effectrapportage 1994, noch dat de activiteiten anderszins onder dit besluit vallen.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellante voert aan dat de bij de aanvraag gevoegde offerte van het stoffilter als onderdeel van de vergunning had moeten worden beschouwd. Tevens had een samenvatting en vertaling van dit stuk overgelegd moeten worden.

2.4.1. Verweerder stelt dat het stoffilter voldoet aan de huidige stand van de techniek en dat met dit filter aan de norm van vergunningvoorschrift 3.1.a kan worden voldaan.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat in vergunningvoorschrift 1.4.a wordt bepaald dat binnen zes maanden na inwerkingtreding van de inrichting moet worden vastgesteld of de filters aan de stofemissienorm van voorschrift 3.1.a kunnen voldoen. Het verbinden van de offerte voor een stoffilter aan de vergunning speelt bij de beoordeling van de vraag of de inrichting aan de stofemissienorm kan voldoen, geen rol. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.5. Appellante voert aan al geruime tijd stofhinder van de inrichting te ondervinden en daardoor schade te lijden. Hierbij wijst ze op een onderzoek van Romijnders Installatietechniek waaruit, volgens appellante, blijkt dat de door haar ondervonden stofhinder waarschijnlijk van Norit afkomstig is.

2.5.1. Verweerder betwijfelt of de stofhinder van de onderhavige inrichting afkomstig is en stelt dat de milieugevolgen van de bestaande inrichting geen aspecten zijn die hij bij de beoordeling van deze vergunningaanvraag kon betrekken.

2.5.2. De Afdeling overweegt, de vraag daargelaten of de stofhinder inderdaad van de onderhavige inrichting afkomstig is, dat deze beroepsgrond niet ziet op de in het bestreden besluit opgenomen verandering van de inrichting maar op de bestaande situatie. Deze beroepsgrond kan dan ook geen rol spelen bij de beoordeling van het bestreden besluit en treft om die reden geen doel.

2.6. Appellante voert aan naast de bestaande hinder ook voor een toename van de stofoverlast te vrezen. Hierbij stelt zij dat er meer relevante emissiepunten van stof zijn dan in de veranderingsvergunning zijn meegenomen. Zij verwijst in dit kader, ondermeer, naar het opensnijden van de zogenoemde big bags waarmee de cocochar wordt opgeslagen.

2.6.1. Verweerder voert aan dat bij alle punten waar stofverspreiding kan plaatsvinden geforceerde afzuiging en afvoer van de afgezogen lucht naar een filter zal worden gerealiseerd.

2.6.2. De Afdeling overweegt dat in vergunningvoorschrift 3.1.b wordt bepaald dat vaste stoffen zodanig dienen te worden opgeslagen dat er geen visueel waarneembare stofemissies plaatsvinden. Tevens overweegt de Afdeling dat in de bij de aanvraag behorende en van de vergunning deeluitmakende tekening 70-010 stofemissie beperkende maatregelen staan weergegeven. Op deze tekening is, ondermeer, weergegeven dat bij het stortpunt van de zogenoemde big bags stofafzuiging plaatsvindt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het bestreden besluit stofemissies tot een milieuhygiƫnisch aanvaardbaar niveau worden beperkt. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.7. Appellante voert aan dat niet duidelijk is of ook zeer fijn stof door de filters wordt afgevangen omdat niet uit de aanvraag blijkt dat de filters getest zijn op alle maten van fijnheid van stof.

2.7.1. Verweerder stelt dat de grondstof niet zo fijn vermalen zal worden dat zeer fijn stof zal ontstaan. Het is, volgens verweerder, ook niet in het belang van vergunninghoudster omdat dit tot verlies van grondstof zou leiden.

2.7.2. De Afdeling stelt vast dat in vergunningvoorschrift 3.1.a wordt bepaald dat de uitstoot van stof de 10 mg/m3 niet mag overschrijden. Hiermee heeft verweerder de algemeen gangbare norm van de Nederlandse Emissie Richtlijn toegepast. In vergunningvoorschrift 1.4.a wordt bepaald dat binnen zes maanden na inwerkingtreding van de inrichting moet worden vastgesteld of de filters aan de norm van voorschrift 3.1.a kunnen voldoen. Tevens stelt de Afdeling vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de grondstof niet zo fijn vermalen zal worden dat grote hoeveelheden zeer fijn stof binnen de inrichting zullen ontstaan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit voldoende bescherming biedt tegen de emissie van zeer fijn stof. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.8. Appellante voert aan dat het vermalingsproces automatisch moet worden stilgelegd bij een melding van een defect stoffilter.

2.8.1. Verweerder stelt dat een defect filter onmiddellijk in de meetkamer kenbaar wordt. Om te voorkomen dat de vergunningvoorschriften worden overtreden en dat verlies van grondstof optreedt zal het vermalingsproces dan direct worden stilgelegd.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat in de aanvraag van het bestreden besluit die deel uitmaakt van de vergunning staat aangegeven dat achter het stoffilter een continue triboelektrische stofmeting wordt geplaatst. Een eventuele overschrijding van de emissienorm van 10 mg/m3 wordt derhalve direct gesignaleerd. Om de vergunning na te leven zal het bedrijf dan direct maatregelen dienen te treffen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het automatisch stilleggen van de inrichting niet noodzakelijk is ter beperking van eventuele stofhinder. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.9. Appellante voert aan dat onvoldoende duidelijk is of de externe veiligheid is gewaarborgd. Zij stelt het gevaar op brand en stofexplosies ontoelaatbaar groot te achten. Hierbij wijst zij op het, naar haar oordeel, lage bedrag van de bouwkosten voor de installatie.

2.9.1. Verweerder stelt dat in het bestreden besluit maatregelen zijn voorgeschreven om explosies te voorkomen en eventuele effecten van een explosie te beperken. Hij is van mening dat daarmee de externe veiligheid van de inrichting voldoende wordt gewaarborgd. Verweerder stelt verder dat het bedrag waar appellante op doelt slechts een deel van de totale bouwkosten betreft.

2.9.2. De Afdeling stelt vast dat door de International Safety & Risk Management Group een stofexplosierisicoanalyse voor de nieuwe maalinstallatie is uitgevoerd. De in deze analyse opgenomen risicobeperkende maatregelen zijn vrijwel letterlijk in de vergunningaanvraag opgenomen en deze aanvraag maakt op grond van voorschrift 1.3 deel uit van het bestreden besluit. Mede gelet op het deskundigenbericht bestaat er naar oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het standpunt dat genoemde analyse geen juiste weergave van de veiligheidssituatie geeft. Evenmin bestaat er aanleiding voor het oordeel dat de veiligheid met de door te voeren maatregelen onvoldoende gewaarborgd is. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de grond inzake het niet in de vergunning opgenomen zijn van voorschriften aangaande de controle op zwevende deeltjes in de lucht betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

315.