Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200201294/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/286
JBO 2005/286

Uitspraak

200201294/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

het college van burgemeester en wethouders van Venlo,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2002, kenmerk 01/39059, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een revisievergunning verleend als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet voor een inrichting voor het inzamelen, op- en overslaan en be- en verwerken van afvalstoffen en autowrakken op het [adres] te Venlo. Dit besluit is op 22 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 1 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 10 april 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door ing. J.G.J. Klerken en M.G.A. Adolfsen, ambtenaren van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door C. Prins en ing. H. Vinken, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de onderhavige vergunning is naar aanleiding van een door vergunninghoudster tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenking het voorschrift L.2 toegevoegd. Ingevolge dit vergunningvoorschrift is, anders dan in het ontwerp van het besluit, waarin alleen de acceptatie van verontreinigde grond behorende tot de categorie 1 en categorie 2-bouwstof als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en grondwaterbescherming (hierna: Bsb) was toegestaan, ook acceptatie van verontreinigde grond toegestaan die niet kan worden gekwalificeerd als een categorie 1 of categorie 2-bouwstof, tenzij de verontreiniging zodanig is dat deze grond als gevaarlijk afval als bedoeld in de bij Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 vastgestelde afvalstoffenlijst (hierna: Eural) moet worden aangemerkt.

2.2. Ter zitting heeft appellant het beroep voorzover het de verwijzing naar de Eural betreft, ingetrokken.

2.3. Appellant kan zich er niet mee verenigen dat ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift L.2 “grond tot gevaarlijk afval zoals dit wordt bepaald door de Eural” mag worden geaccepteerd. Volgens appellant is ten onrechte geen aparte beoordeling gemaakt van de doelmatigheid van de acceptatie van deze categorie verontreinigde grond in de onderhavige inrichting, en staat niet vast dat de aan de vergunning verbonden voorschriften met betrekking tot handelingen met deze categorie grond toereikend zijn ter bescherming van het milieu.

2.3.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerders een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde, worden onder gevolgen voor het milieu mede verstaan gevolgen die verband houden met de doelmatige verwijdering van afvalstoffen.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit luidde, wordt onder doelmatige verwijdering van afvalstoffen verstaan: zodanige verwijdering van afvalstoffen dat in ieder geval:

a. de continuïteit van de verwijdering wordt gewaarborgd;

b. de afvalstoffen met inachtneming van artikel 10.1 op effectieve en efficiënte wijze worden verwijderd;

c. de capaciteit aan afvalverwijderingsinrichtingen is afgestemd op het aanbod aan te verwijderen afvalstoffen;

d. een onevenwichtige spreiding van afvalverwijderingsinrichtingen wordt voorkomen, en

e. een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk is.

2.3.2. Blijkens de overwegingen bij het bestreden besluit heeft verweerder de doelmatigheid getoetst van de acceptatie en be- en verwerking van de afvalstoffen die vallen onder de in de overwegingen genoemde afvalcategorienummers van de Eural. Nu de in het geding zijnde verontreinigde grond blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting valt onder het in de overwegingen genoemde afvalcategorienummer 17.05.04 c, staat naar het oordeel van de Afdeling voldoende vast dat ook deze afvalstof voorwerp is geweest van de doelmatigheidstoets. Gelet hierop is het beroep op dit punt ongegrond.

2.3.3. Wat de beoordeling van de nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de op- en overslag en bewerking van de in het geding zijnde categorie verontreinigde grond betreft is de Afdeling het volgende gebleken. Ter zitting is door verweerder onweersproken gesteld dat de in de aanvraag om vergunning en in de aan de vergunning verbonden voorschriften opgenomen maatregelen en voorzieningen ter beperking van de nadelige gevolgen voor het milieu vanwege de op- en overslag en bewerking van categorie 2-bouwstoffen en voor partijen grond waarvan de samenstelling nog niet bekend is, toereikend zijn voor de op- en overslag en handling en bewerking van de grond die geen categorie 2-bouwstof is en evenmin een gevaarlijke afvalstof. De Afdeling ziet noch in de stukken, noch in het verhandelde ter zitting aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hiervoor bedoelde maatregelen en voorzieningen toereikend zijn ter bescherming van het milieu.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften B.2 en C.3 die zien op het laden en lossen respectievelijk de opslag van de verontreinigde grond, is de categorie verontreinigde grond waarvoor die voorschriften gelden echter beperkt tot categorie 2-bouwstoffen als bedoeld in het Bsb. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat deze beperking abusievelijk in de vergunningvoorschriften is opgenomen. Volgens verweerder is beoogd om ook de in het geding zijnde categorie verontreinigde grond, niet zijnde gevaarlijk afval, onder deze vergunningvoorschriften te brengen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit op dit punt heeft genomen in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.4. Gezien het voorgaande is het beroep gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient gedeeltelijk te worden vernietigd.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Limburg van 15 januari 2002, 01/39059, voorzover het gaat om het aan de vergunning verbonden voorschrift B.2, sub b, voorzover het betreft de twee zinsneden “(cat. 2 Bouwstoffenbesluit)”, en het aan de vergunning verbonden voorschrift C.3, sub a, voorzover het betreft de twee zinsneden “(cat. 2 Bouwstoffenbesluit)”;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. gelast dat de provincie Limburg aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. M. Oosting en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van de Sande

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

355.