Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200106035/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Peildatum overgangsrecht. Afwijkend oordeel Afdeling ten opzichte van eerdere uitspraak.

Weigering binnenplanse vrijstelling voor het permanent bewonen van een recreatiewoning.

Het geldende bestemmingsplan is gedeeltelijk herzien. De herziening heeft niet geleid tot een wijziging van de bestemming maar voorziet wel in een verruiming van de bouwmogelijkheden van recreatiewoningen en zomerhuisjes, alsmede in een op de bestemming toegespitst gebruiksverbod. Vast staat dat de recreatiewoning sinds 1988 permanent wordt bewoond en dat dit zowel voor als na de herziening van het bestemmingsplan in strijd was met de ongewijzigd gebleven bestemming “Terrein voor zomerhuisjes”. Ook het in art. 20.2 planvoorschriften, neergelegde overgangsrecht is niet gewijzigd. Onder deze omstandigheden, en de Afdeling wijkt daarmee af van haar oordeel in de uitspraak van 28 november 2001, inzake no. 20005421/1, url(''LJN AH9246'',../../../uitspraak/showdetail_homepage.asp?ljn=AH9246) , is voor toepassing van het overgangsrecht nog steeds de datum van het van kracht worden van het oorspronkelijke bestemmingsplan vóór de herziening beslissend. Het college heeft het overgangsrecht dan ook terecht bij de beoordeling van het gebruik dat van het perceel en de daarop gebouwde recreatiewoning wordt gemaakt niet van toepassing geacht.

College van burgemeester en wethouders van Harderwijk.

mrs. A. Kosto, B. van Wagtendonk, H.G. Lubberdink

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/556
OGR-Updates.nl 1000476

Uitspraak

200106035/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 1 november 2001 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk (hierna: het college) geweigerd appellante krachtens artikel 20, derde lid, van de voorschriften bij het bestemmingsplan “ Strokel 1973” vrijstelling te verlenen ten behoeve van het permanent bewonen van een recreatiewoning aan de [locatie 1], te [plaats] (hierna: de recreatiewoning).

Bij besluit van 3 januari 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 november 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zutphen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 februari 2002 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 16 april 2002 heeft appellante nog nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 mei 2002, waar het college, vertegenwoordigd door E.D.G. Korsaan, ambtenaar der gemeente, is verschenen.

Bij brief van 9 augustus 2002 heeft de Afdeling partijen op de hoogte gesteld van haar beslissing om het onderzoek in deze zaak te heropenen en de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer.

Bij brief van 3 oktober 2002 heeft appellante een aanvullend stuk ingebracht. De Afdeling heeft een afschrift daarvan aan het college verzonden.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 16 oktober 2002, waar appellante in persoon, bijgestaan door [gemachtigde] als deskundige, en het college, vertegenwoordigd door E.D.G Korsaan, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse van kracht zijnde bestemmingsplan “Strokel 1973” rust op het perceel waarop de recreatiewoning staat (hierna: het perceel) de bestemming “Terrein voor zomerhuisjes”.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de exploitatie van een recreatiebedrijf, waar personen die elders hun vaste verblijfplaats hebben, recreatief verblijf kunnen houden in zomerhuisjes.

Ingevolge het tweede lid, en onder i, van artikel 14, voorzover thans van belang, is het verboden een recreatiewoonverblijf anders dan voor recreatieve doeleinden te gebruiken.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, is het verboden om gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of voor doeleinden, welke strijdig zijn met de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bestemming van die gronden en opstallen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 20 is het eerste lid niet van toepassing op het gebruik dat bestond ten tijde van het van kracht worden van deze voorschriften, zo lang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt gebracht.

Ingevolge het derde lid van artikel 20 kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het gebruiksverbod, indien strikte toepassing van die bepaling zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

2.2. Vast staat dat de raad van de gemeente Harderwijk bij besluit van 18 april 1996 een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan heeft vastgesteld, welke, voorzover thans van belang, op 7 augustus 1996 door het college van gedeputeerde staten van Gelderland is goedgekeurd. De herziening heeft niet geleid tot een wijziging van de bestemming die op het perceel rust. Artikel 14, eerste lid, is niet gewijzigd. Bij de herziening is in het tweede lid van dat artikel wel voorzien in een verruiming van de bouwmogelijkheden van recreatiewoningen en zomerhuisjes, alsmede in een op de bestemming toegespitst gebruiksverbod.

2.3. Appellante betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank heeft miskend dat de permanente bewoning van de recreatiewoning door het in artikel 20, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde overgangsrecht wordt beschermd. Ze heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2001, nr. 20005421/1.

2.4. Dit betoog slaagt niet. Vast staat dat de recreatiewoning sinds 1988 permanent wordt bewoond en dat dit zowel voor als na de herziening van het bestemmingsplan in strijd was met de ongewijzigd gebleven bestemming “Terrein voor zomerhuisjes”. Ook het in artikel 20, tweede lid, van de planvoorschriften, neergelegde overgangsrecht is niet gewijzigd. Onder deze omstandigheden, en de Afdeling wijkt daarmee af van haar oordeel in de door appellante genoemde uitspraak, is voor toepassing van het overgangsrecht nog steeds de datum van het van kracht worden van het bestemmingsplan “Strokel 1973” vóór de herziening beslissend. Het college heeft het overgangsrecht dan ook terecht bij de beoordeling van het gebruik dat van het perceel en de daarop gebouwde recreatiewoning wordt gemaakt niet van toepassing geacht.

2.5. Ook het beroep van appellante, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2000, nr. 199902762/1, gepubliceerd in onder andere AB 2000, 406, op de zogenaamde toverformule, slaagt niet. De Afdeling overweegt daartoe dat hier in het midden gelaten kan worden of zinvol gebruik van de gronden, waartoe het perceel behoort, overeenkomstig de bestemming – het bedrijfsmatig exploiteren van een recreatiebedrijf - in dit geval objectief bezien niet meer mogelijk is. Het college heeft in de beslissing op bezwaar immers tevens aangegeven dat in het rijks- , provinciaal en gemeentelijk beleid dat erop is gericht woningbouw in het buitengebied dan wel buiten de bebouwde kom te weren een dringende reden aanwezig is om de op grond van het derde lid van artikel 20 van de planvoorschriften gevraagde vrijstelling niet te verlenen. In reactie op het betoog van appellante dat het beleid van de gemeente niet is gericht op het tegengaan van permanente bewoning van recreatiewoningen, heeft het college gewezen op het “Plan van aanpak Permanente bewoning van recreatie-woonverblijven in Harderwijk” van september 1999, waarin het handhavingsbeleid van de gemeente voor gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning is beschreven. Niet valt in te zien dat aan dit beleid, op grond waarvan in specifieke gevallen wegens het langdurig gedogen van permanente bewoning persoonsgebonden gedoogverklaringen zijn afgegeven, niet de hand zou mogen worden gehouden. De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dringende redenen zich tegen het verlenen van vrijstelling met toepassing van de toverformule verzetten. Niet kan worden geoordeeld dat het college, gelet daarop, en bij afweging van de betrokken belangen, deze vrijstelling niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient onder verbetering van de gronden te worden bevestigd.

2.7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

47-397.