Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4693

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200204380/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/221

Uitspraak

200204380/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 17 juli 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Terschelling.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 november 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders van Terschelling (hierna: het college) geweigerd vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van een zomerwoning, kadastraal bekend gemeente Terschelling, plaatselijk bekend als [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij ongedateerd besluit, verzonden op 5 juli 2001, kenmerk GM/258, heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 7 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 9 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 oktober 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2002, waar appellant in persoon, vertegenwoordigd door mr. H.W. Knottenbelt, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Reinsma, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied (Polder), gemeente Terschelling (1978)”, zoals aangepast bij de Correctieve en partiële herziening (1989) en de Tweede correctieve en partiële herziening (1994), rust op het perceel de bestemming “Eengezinshuizen klasse B”.

Ingevolge artikel 12, lid A, van de bij dit plan behorende voorschriften, voor zover hier van belang, mogen de op de kaart voor eengezinshuizen klasse B bestemde gronden uitsluitend worden gebruikt voor wonen, dan wel wonen in combinatie met verblijfsrecreatie.

Ingevolge artikel 12, lid A, sub 1, van de planvoorschriften mogen op of in deze gronden geen andere gebouwen worden gebouwd dan de in de leden A.2 en A.3 bedoelde.

Ingevolge artikel 12, lid A, sub 2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op of in deze gronden eengezinshuizen met of zonder ruimten ten behoeve van verblijfsrecreatie worden gebouwd en mag per bouwperceel één vrijstaand hoofdgebouw worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 23, van de planvoorschriften wordt onder een hoofdgebouw verstaan een gebouw dat functioneel zowel als qua afmetingen bepalend is voor de materiële inhoud van de bestemming.

Ingevolge artikel 30, lid A, van de planvoorschriften mogen gebouwen die bij het in ontwerp ter inzage leggen van het plan bestonden en krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde bouwvergunning of gedane melding in uitvoering waren of in uitvoering konden worden genomen en in enigerlei opzicht van het plan afwijken, gedeeltelijk worden vernieuwd, mits de afwijkingen van het plan naar de afmetingen en naar de aard niet worden vergroot.

2.2. Het bouwplan is in strijd met artikel 12, lid A, sub 2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften aangezien ruimten ten behoeve van verblijfsrecreatie alleen in het hoofdgebouw zijn toegelaten en het hier niet het op het perceel toegelaten hoofdgebouw betreft. Binnen deze bestemming zijn geen zelfstandige zomerwoningen toegestaan.

2.3. Blijkens de beslissing op bezwaar heeft het college het bouwplan getoetst aan de overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik, zulks evenwel ten onrechte. Dat een bepaald gebruik krachtens overgangsrecht is toegestaan betekent immers niet dat ook ten behoeve van dat gebruik mag worden gebouwd. Voorts heeft zij zich eveneens ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgangsbepalingen ten aanzien van het bouwen, zoals neergelegd in voornoemd artikel 30 van de planvoorschriften, in dit geval niet van toepassing zijn omdat voor een zomerwoning in het verleden geen bouwvergunning is verleend. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling zijn bestaande illegale bouwwerken niet in het algemeen uitgesloten van de mogelijkheid om daaraan na de peildatum verbouwingen uit te voeren, indien het overgangsrecht daarin voorziet. Artikel 30 van de planvoorschriften voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van het vervangen en/of vernieuwen van bestaande gebouwen, welke afwijken van het plan, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gebouwen die met en gebouwen die zonder bouwvergunning zijn opgericht. Het college had derhalve dienen vast te stellen of de hoedanigheid van het gebouw gelet op de bouwkundige toestand daarvan op de in artikel 30 bedoelde peildatum gekwalificeerd kon worden als zomerwoning en zo ja, of het bouwplan voorziet in een gedeeltelijke vernieuwing van de zomerwoning, waarbij de afwijkingen van het plan naar de afmetingen en de aard niet worden vergroot. De beslissing op bezwaar kan derhalve niet worden gedragen door de motivering die daaraan ten grondslag ligt en is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren. De bestreden beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 17 juli 2002, 01/702 WRO19;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Terschelling van 5 juli 2001, GM/258;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Terschelling op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Terschelling in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Terschelling te worden betaald aan appellant;

VII. gelast dat de gemeente Terschelling aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 (€ 102,10 + € 165,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Haan

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op

27-398.