Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4686

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
19-02-2003
Zaaknummer
200205061/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2003/2163

Uitspraak

200205061/1.

Datum uitspraak: 19 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Ameland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2001, verzonden op 7 november 2001, heeft verweerder nadere eisen als bedoeld in artikel 5 van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) gesteld ten aanzien van [vergunninghouder 1], gelegen op het perceel [locatie 1] te [plaats].

Bij besluit van 10 september 2002, verzonden op 11 september 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 16 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 23 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. S.J. van Leeuwen, advocaat te Den Haag, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. J.N. Schoustra, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Eerst ter zitting heeft appellant betoogd dat nadere eis 3 en nadere eis 8 te beperkend en onnodig zijn. Het aanvoeren van deze gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant deze niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.2. Voor de onderhavige inrichting golden ingevolge artikel 7 van het Besluit tot 1 oktober 2001 de geluidvoorschriften uit de milieuvergunning van 24 januari 1995 als nadere eis. In verband met het verstrijken van deze termijn heeft verweerder krachtens artikel 5 van het Besluit nadere eisen gesteld met betrekking tot geluid.

2.3. Appellant betoogt dat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van een uitzonderingssituatie waardoor de voorschriften uit het Besluit nadere uitwerking behoeven of dat de voorschriften uit het Besluit niet in de situatie voorzien. Verder betoogt appellant dat verweerder de vermindering van het toegestane piekgeluidniveau ten opzichte van het Besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.3.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid, voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

Ingevolge artikel 4.1.1 van de bijlage behorende bij het besluit, voor zover hier van belang, kan het bevoegd gezag voor een inrichting, in gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1, 1.1.5 en 1.1.7 opgenomen waarden voor equivalente geluidniveaus en piekniveaus naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1, 1.1.5 en 1.1.7 opgenomen waarden.

Ingevolge voorschrift 4.1.4, aanhef en onder a en d, van de bijlage behorende bij het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag, teneinde te bereiken dat aan de voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.6, 1.1.7, 3.4.2, 4.1.1 of 4.1.3 wordt voldaan een nadere eis stellen ten aanzien van het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting en het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht moeten worden genomen.

Ingevolge de nadere eis 1 mag, in afwijking van het gestelde in voorschrift 1.1.1 van het Besluit, het equivalente geluidniveau (Laeq) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, op de gevel van woningen van derden, niet meer bedragen dan 45 dB(A) in de dagperiode tussen 07.00 en 19.00 uur, 40 dB(A) in de avondperiode tussen 19.00 en 23.00 uur en 35 dB(A) in de nachtperiode tussen 23.00 en 07.00 uur.

Ingevolge nadere eis 2 mag, in afwijking van het gestelde in voorschrift 1.1.1 van het Besluit, het piekgeluid geproduceerd door de inrichting, op de gevel van woningen van derden, niet meer bedragen dan 55 dB(A) in de dagperiode tussen 07.00 en 19.00 uur, 50 dB(A) in de avondperiode tussen 19.00 en 23.00 uur en 45 dB(A) in de nachtperiode tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.3.2. Verweerder stelt dat hij in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het opleggen van nadere eis 1 en 2 omdat door het verlopen van de in artikel 7 van het Besluit genoemde termijn ten opzichte van de nabijgelegen woning en omgeving een ontoelaatbare toename van geluid ontstaat.

2.3.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat op één meter van de inrichting een woning is gelegen en dat de omgeving van de inrichting is aan te merken als een rustige woonwijk met weinig verkeer. De Afdeling stelt vast dat de in nadere eis 1 en 2 opgenomen geluidgrenswaarden voor het equivalente geluidniveau en het maximale geluidniveau gelijk zijn aan de equivalente geluidniveaus en de maximale geluidniveaus uit de voorschriften 2.1 en 2.2 van de milieuvergunning van 30 januari 1995. Voor de inrichting golden die voorschriften uit deze vergunning ingevolge artikel 7 van het Besluit tot 1 oktober 2001 als nadere eis. Gezien de aard van de omgeving van de inrichting en gelet op het gegeven dat het stellen van nadere eisen geen aanscherping van de geldende eisen en voorschriften ten opzichte van de situatie vóór 1 oktober 2001 inhoudt, is de Afdeling van oordeel dat verweerder ter voorkoming dan wel voldoende beperking van onaanvaardbare geluidhinder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid de nadere eisen 1 en 2 heeft kunnen stellen. Het beroep treft in zoverre geen doel.

2.4. Appellant betoogt dat de nadere eisen 4 tot en met 7 in de dag- en avondperiode leiden tot een lager geluidniveau dan is toegestaan ingevolge de door verweerder opgelegde nadere eisen 1 en 2. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat verweerder zich bij het opleggen van de nadere eisen 4 tot en met 7 ten onrechte heeft gebaseerd op het “Akoestisch onderzoek – meetrapport [vergunninghouder 2], [locatie 2] te [plaats] (Ameland)” van [onderzoeksbureau] van 20 november 1996 (hierna: het akoestisch rapport) omdat nadien binnen de inrichting wijzigingen hebben plaatsgevonden.

2.4.1. Verweerder stelt dat appellant geen melding heeft gedaan van de veranderingen in de inrichting. De nadere eisen zijn dan ook gesteld op basis van de aanwezige gegevens, aldus verweerder.

2.4.2. Ingevolge nadere eis 4 moeten, om te voldoen aan het gestelde onder nadere eis 1 en 2, alle muziekinstallaties zijn voorzien van een namens de gemeente te verzegelen geluidbegrenzer, waarbij het verstellen van het toegestane geluidniveau niet mogelijk mag zijn anders dan door het verbreken van de genoemde verzegeling; verbreking van de verzegeling mag alleen geschieden vanwege de gemeente, na bijvoorbeeld vervanging, wijziging en/of reparatie van de installatie moet de geluidbegrenzer opnieuw worden afgesteld en namens de gemeente worden verzegeld.

Ingevolge nadere eis 5 mag in de inrichting geen muziek, zang en dergelijke ten gehore worden gebracht anders dan met behulp van de begrensde apparatuur.

Ingevolge nadere eis 6 moet de onder nadere eis 4 bedoelde geluidniveaubegrenzer zodanig zijn aangebracht en afgesteld dat het geluidniveau binnen de inrichting, in de discozaal de waarde van 86 dB(A) niet overschrijdt en in het café gedeelte de waarde van 71 dB(A) niet overschrijdt.

Ingevolge nadere eis 7 mag in de inrichting geen muziek, zang en dergelijke ten gehore worden gebracht anders dan met behulp van de begrensde apparatuur. Van het vastgelegde geluidniveau zoals genoemd in nadere eis 6, mag alleen worden afgeweken als doelmatige geluidisolerende voorzieningen worden getroffen en door middel van een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat, na het treffen van deze voorziening kan worden voldaan aan het gestelde onder punt 1 en 2 van deze nadere eis. Daarbij moet eveneens worden bepaald welk muziekgeluidniveau in de inrichting maximaal toelaatbaar is.

2.4.3. Verweerder heeft aan de nadere eisen 4, 5, 6 en 7 het akoestisch rapport ten grondslag gelegd. Uit dit rapport blijkt dat het maximaal toelaatbare muziekgeluidniveau in de discozaal en het cafégedeelte niet meer mag bedragen dan respectievelijk 86 dB(A) en 71 dB(A) in de nachtperiode. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat binnen de inrichting na 20 november 1996 verbouwingen hebben plaatsgevonden. Verweerder was van deze verbouwingen op de hoogte ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar. Nu verweerder bij het nemen van de beslissing op bezwaar niet heeft onderzocht wat de gevolgen van deze verbouwingen zijn voor het maximale muziekgeluidniveau in de inrichting, is de Afdeling van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding derhalve inzoverre niet zorgvuldig is, en de daarin neergelegde motivering niet toereikend is. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover daarbij de nadere eisen 4, 5, 6 en 7 uit het primaire besluit zijn gehandhaafd.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ameland van 10 september 2002, voorzover daarbij de nadere eisen 4, 5, 6 en 7 uit het primaire besluit zijn gehandhaafd;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ameland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Ameland te worden betaald aan appellant;

V. gelast dat de gemeente Ameland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003

312-396.