Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF4412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2003
Datum publicatie
12-02-2003
Zaaknummer
200204199/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204199/1.

Datum uitspraak: 12 februari 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], allen wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Rheden,

3. de Stichting tot exploitatie van Kasteel Rhederoord, gevestigd te De Steeg,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 26 juni 2002 in het geding tussen:

[appellanten sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rheden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden (hierna: het college) een verzoek van appellanten sub 1 om appellante sub 3 (hierna: Kasteel Rhederoord) onder oplegging van een dwangsom te gelasten het volgens hen met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het kasteel, het koetshuis en daaromheen liggende gronden aan de Parkweg te De Steeg te beëindigen, afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2000 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2002, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellanten sub 1] bij brief van 31 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, het college bij brief van 31 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 1 augustus 2002, en Kasteel Rhederoord bij brief van 2 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. [appellanten sub 1] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 27 augustus 2002. Kasteel Rhederoord heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 22 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 oktober 2002 heeft het college een memorie ingediend. Bij brief van 2 oktober 2002 heeft [appellanten sub 1] een memorie ingediend. Bij brief van 4 oktober 2002 heeft Kasteel Rhederoord een memorie ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 6 december 2002, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door

mr.drs. I.E. Nauta, advocaat te Arnhem, het college, vertegenwoordigd door T. Algera, ambtenaar der gemeente, en Kasteel Rhederoord, vertegenwoordigd door een bestuurslid, bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het landgoed Rhederoord is gelegen in het bestemmingsplan “Buitengebied 1995”. Het kasteel en het daarbij behorende koetshuis hebben daarin de bestemming “maatschappelijke doeleinden (M)”, met subbestemming “openbare en bijzondere doeleinden, Mo”.

2.2. Ingevolge artikel 21, vierde lid, van de planvoorschriften mogen de gronden en opstallen met de bestemming “maatschappelijke doeleinden” uitsluitend worden gebruikt overeenkomstig de daaraan gegeven subbestemming.

Ingevolge artikel 21, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften hebben de gronden met de subbestemming “openbare en bijzondere doeleinden” landschappelijke en cultuurhistorische waarde en zijn zij bestemd voor instellingen terzake van openbaar bestuur en openbare dienstverlening, verenigingsleven, religie, gast- en verpleeginrichtingen, cultuur, onderwijs, opvoeding of volksgezondheid.

Ingevolge artikel 21, zesde lid, onder 2 is toegestaan het gebruik zoals dit is ten tijde van het verkrijgen van rechtskracht van dit plan.

Ingevolge artikel 21, zesde lid, onder 3 is voor wijzigingen van het onder 2 bedoelde gebruik ten behoeve van één van de in de aanhef van dit lid genoemde andere functies een vrijstelling vereist van burgemeester en wethouders. De vrijstelling wordt slechts verleend voorzover het gebruik waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd geen onevenredige negatieve gevolgen heeft voor in de nabijheid gelegen functies of waarden.

2.3. De hoger beroepen betreffen de vraag of het gebruik dat Kasteel Rhederoord van het kasteel en het koetshuis maakt, voorzover dat bestaat uit het (in het kader van vakanties) verstrekken van logies en nachtverblijf, het houden van conferenties en het organiseren van sport-, spel- en studieweken, in strijd is met het bestemmingsplan.

2.4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit artikel 21, vierde lid, in samenhang met artikel 21, zesde lid, onder 2, van de planvoorschriften volgt dat slechts is toegestaan het gebruik dat bestond ten tijde van het verkrijgen van rechtskracht van het plan, voorzover dat kan worden begrepen onder de subbestemming. Derhalve dient beoordeeld te worden of het gebruik in overeenstemming is met de in artikel 21, zesde lid, onder 1 genoemde gebruiksfuncties.

2.5. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat een gebruik dat meerdere van de in artikel 21, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften genoemde functies omvat op grond van het in dit artikellid onder 2 gestelde is toegestaan, indien dit het gebruik is zoals dit bestond ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan. Het tegen dit oordeel gerichte betoog van [appellanten sub 1] faalt derhalve.

2.6. Het betoog van het college en Kasteel Rhederoord richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het begrip “gastinrichting” genoemd in artikel 21, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften dient te worden uitgelegd als “gasthuis”, zijnde een term verbonden met een zekere vorm van verzorging en/of verpleging.

2.7. Dit betoog slaagt. Naar het oordeel van de Afdeling is het begrip “gastinrichting” niet op één lijn te stellen met “gasthuis”. “Gastinrichting” is geen gangbaar begrip en de planvoorschriften bevatten geen definitie van dit begrip. Wel blijkt uit de plantoelichting dat de gemeenteraad heeft beoogd in het bestemmingsplan het op basis van het voorheen geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1975” toegestane gebruik opnieuw positief te bestemmen. In het oude bestemmingsplan had het kasteel de bestemming “Openbare en bijzondere gebouwen” en had het koetshuis de bestemming “Gast- en verpleegcentra”, waaronder werd verstaan gebouwen die blijkens hun aard en inrichting zijn bestemd voor vakantie- en conferentieoorden of tehuizen voor de verpleging van zieken. In het geldende bestemmingsplan zijn deze bestemmingen samengevoegd en ondergebracht onder de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” met de subbestemming “Mo: openbare en bijzondere doeleinden”. De in artikel 21, zesde lid, onder 1, van de planvoorschriften opgenomen omschrijving van onder deze bestemming vallende instellingen is nagenoeg gelijkluidend met de artikelen 28 en 29 van het oude bestemmingsplan, met dit verschil dat in plaats van “gast- en verpleegcentra” in het geldende bestemmingsplan wordt gesproken van “gast- en verpleeginrichting”. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat aan de toelichting doorslaggevende betekenis moet worden gehecht en het begrip “gastinrichting” derhalve dient te worden uitgelegd als vakantie- en conferentieoord dat voldoet aan de hoofdbestemming “Maatschappelijke doeleinden”. In zoverre is er verschil met de bestemmingen “Horeca” en “Verblijfsrecreatie”, waarbij het gaat om louter commerciële activiteiten.

2.8. Het college en Kasteel Rhederoord hebben gesteld en [appellanten sub 1] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt, zodat de Afdeling van de juistheid ervan uitgaat, dat ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan het kasteel werd gebruikt als ontmoetingscentrum voor het houden van congressen en bijeenkomsten, al dan niet met religieuze inslag, en voor het verstrekken van logies en nachtverblijf en het koetshuis werd gebruikt als vakantieoord. Het standpunt van het college dat deze activiteiten vallen onder de in artikel 21, zesde lid, onder 1 genoemde gebruiksfuncties “religie” en “gastinrichting” acht de Afdeling niet onjuist.

2.9. Anders dan de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat gebruik voor religieuze doeleinden en als gastinrichting zijn aan te merken als gebruik dat op grond van artikel 21, zesde lid, onder 2, van de planvoorschriften ter plaatse is toegestaan en dat het gebruik, voorzover dat bestaat uit het (in het kader van vakanties) verstrekken van logies en nachtverblijf, het houden van conferenties en het organiseren van sport-, spel- en studieweken, derhalve niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.10. Het college heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat terzake van dit gebruik het overgangsrecht dan ook niet van toepassing is zodat, indien en voorzover dit gebruik is toegenomen, dit niet in strijd is met het bestemmingsplan.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts voldoende aannemelijk geworden dat, ondanks de meer bedrijfsmatige wijze waarop Kasteel Rhederoord het kasteel en koetshuis als gastinrichting in de loop der tijd is gaan gebruiken, dit gebruik nog kan worden gerangschikt onder de bestemming “maatschappelijke doeleinden” en niet een louter commercieel karakter heeft gekregen.

2.11. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de bezwaren tegen de afwijzing van het verzoek om handhaving terecht en op goede gronden ongegrond verklaard.

2.12. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van [appellanten sub 1] ongegrond is en het hoger beroep van het college en van Kasteel Rhederoord gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellanten sub 1] alsnog ongegrond verklaren.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van [appellanten sub 1] ongegrond;

II. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Rheden en van de Stichting tot exploitatie van Kasteel Rhederoord gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 26 juni 2002, AWB 00/1862;

IV. verklaart het door [appellanten sub 1] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2003

71-394.